Vast vertrouwen op God
1 Een psalm van David, voor de koorleider.
2 Hoelang nog , HEERE? Zult U mij voor altijd vergeten?
Hoelang zult U Uw aangezicht nog voor mij verbergen?
3 Hoelang zal ik nog plannen maken in mijn ziel,
verdriet hebben in mijn hart, dag na dag?
Hoelang zal mijn vijand zich nog boven mij verheffen?
4 Zie mij aan, verhoor mij, HEERE, mijn God!
Verlicht mijn ogen, anders ontslaap ik in de dood,
5 anders zegt mijn vijand: Ik heb hem overwonnen,
6 Ik echter vertrouw op Uw goedertierenheid,
mijn hart zal zich verheugen in Uw heil,
ik zal voor de HEERE zingen,
omdat Hij goed voor mij geweest is.
David klaegt over uytstel van Godts hulpe: bidt dat hy doch om sijner eere wille, sijn nakende verderf voorkome: ende triumpheert door geloove.
1 EEn Psalm Davids voor den
Opper-sang-meester.
Psalm 13:1
Siet Psal. 4. op v 1.
2 Hoe lange, HEERE, sult ghy mijner
steedts
vergeten? hoe lange sult ghy u aengesicht voor my
verbergen?
Psalm 13:2
Ofte, gestadelick, geduerichlick, altoos, eeuwichlich, t’eenemael, gantschelick . Het Hebr. woort beteeckent sterckte, overwinninge , ende voorts eewicheyt, langduericheyt , om dat de eeuwicheyt ende lanckduericheyt aenhouden, doordringen, immer voortgaen, ende (om soo te spreken) alles t’eenemael overwinnen. Vgel. Psal. 4. op v 1.
Psalm 13:2
Vergel. Gen. 8. v. 1. ende 31. op v 17.
Psalm 13:2
Vergel. Deut. 31. op v 17. ende Iob 13. op v 24.
3 Hoe lange sal ick raedtslagen
voornemen in mijne ziele? droeffenisse in mijn herte
by dage? hoe lange sal mijn vyant over my verhoocht zijn?
Psalm 13:3
Overdenckende, hoe ick de handen mijner vervolgeren sal mogen ontgaen. Hebr. setten .
Psalm 13:3
Wanneer het licht, ende ’t gewoel van menschen, ende allerleye voortkomende dingen de bekommernisse ende droefheyt plegen te breken, ofte te verdrijven, blijve ick evenwel in sorge ende bekommernisse van verrascht ende overvallen te worden van Saul ende de sijne.
4 Aenschouwt, verhoort my, HEERE, mijn Godt:
verlicht mijne oogen, op dat ick [in] den doot niet en
ontslape:
Psalm 13:4
D. verquickt my door uwe hulpe. Vgel. 1.Sam. 14.30. Ezr. 9.8. ende Prov. 15.30. de maniere van spreken wort oock wijders gebruyckt van de verlichtinge des verstants. Psal. 19.9. Ephes. 1.18, etc.
Psalm 13:4
Hebr. den doot niet en slape . D. op dat ick niet den eenen of anderen tijt om het leven gebracht worde ende sterve. Siet Deut. 31. op v 16. ende vgel. Ierem. 51.39. met d’aenteeck. aldaer.
5 Op dat niet mijn vyant en segge; Ick heb hem overmocht:
mijne tegenpartijders sich verheugen, wanneer ick soude
wanckelen.
Psalm 13:5
D. sneuvelen ende vallen. Vgel. Psal. 10.op v 6.
6 Maer ick vertrouwe op uwe
goedertierenheyt: mijn herte sal sich verheugen in u heyl: ick sal den HEERE singen, om dat hy aen my
wel-gedaen heeft.
Psalm 13:6
Ofte, goetgunsticheyt, weldadicheyt .
Psalm 13:6
Alsoo wort het Hebr. woort (dat oock somsijts vergelden beteeckent, siet 2.Chron. op v 11.) van Godts genadich weldoen aen de sijne, gebruyckt, Psal. 103. v. 2, 10. met malkanderen vgel. Psal. 116.7. ende 119.17. ende 142.8. and. wanneer hy my wel gedaen sal hebben .