Het christelijke huwelijk
1 Evenzo,
vrouwen, wees uw eigen mannen onderdanig; opdat ook, als sommigen aan het Woord ongehoorzaam zijn, zij door de levenswandel van de vrouwen zonder woorden gewonnen mogen worden,
2 doordat zij uw reine levenswandel in de vreze des Heeren waarnemen.
3
Uw sieraad moet niet bestaan in iets uiterlijks: het vlechten van het haar, het dragen van gouden sieraden of het aantrekken van mooie kleren;
4 maar uw sieraad moet zijn de verborgen mens van het hart, met het onvergankelijke sieraad van een zachtmoedige en stille geest, die kostbaar is voor God.
5 Want zo tooiden zich voorheen ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en hun eigen mannen onderdanig waren;
6
zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem heer noemde. U bent kinderen van haar geworden, als u goeddoet en niet bevreesd bent voor enig ding dat u angst zou kunnen aanjagen.
7 Evenzo, mannen,
woon met begrip met haar samen; geef de vrouw,
als de zwakkere, haar eer; u bent immers ook mede-erfgenamen met haar van de genade van het leven; opdat uw gebeden niet verhinderd worden.
Opwekking tot verdraagzaamheid
8 Ten slotte,
wees allen eensgezind, vol medeleven, heb de broeders lief, wees barmhartig en vriendelijk.
9
Vergeld geen kwaad met kwaad of laster met laster, maar zegen daarentegen, omdat u weet dat u daartoe geroepen bent,
opdat u zegen zult beërven.
10
Want wie het leven wil liefhebben en goede dagen zien, die moet zijn tong weerhouden van het kwaad, en zijn lippen van het spreken van bedrog;
11
die moet zich afkeren van het kwaad en het goede doen; die moet vrede zoeken en die najagen.
12 Want de ogen van de Heere rusten op de rechtvaardigen, en Zijn oren zijn gericht op hun gebed; maar het aangezicht van de Heere is tegen hen die kwaad doen.
Rekenschap geven van de hoop
13 En wie is het die u kwaad zal doen, als u navolgers bent van het goede?
14
Maar als u ook zou moeten lijden vanwege de gerechtigheid, dan bent u zalig.
En wees niet bevreesd zoals zij bevreesd zijn, laat u niet in verwarring brengen,
15
maar heilig God, de Heere, in uw hart;
en wees altijd bereid tot verantwoording aan ieder die u rekenschap vraagt van de hoop die in u is, met zachtmoedigheid en ontzag.
16 En heb een goed geweten,
opdat in datgene waarin zij kwaad van u spreken als van kwaaddoeners, zij beschaamd gemaakt worden die uw goede levenswandel in Christus belasteren.
17 Want het is beter te lijden – als God dat wil – terwijl u goeddoet dan terwijl u kwaad doet.
18
Want ook Christus heeft eenmaal voor de zonden geleden, Hij, Die rechtvaardig was , voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen. Hij is wel ter dood gebracht in het vlees, maar levend gemaakt door de Geest,
19 door Wie Hij ook, toen Hij heenging, aan de geesten
in de gevangenis gepredikt heeft,
20
namelijk aan hen die voorheen ongehoorzaam waren,
toen God in Zijn geduld nog eenmaal wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark gebouwd werd, waarin weinige –
dat is acht – mensen
behouden werden door het water heen.
21
Het tegenbeeld daarvan, de doop, behoudt nu ook ons. Maar niet als een verwijderen van het vuil van het lichaam,
maar als vraag aan God van een goed geweten, door de opstanding van Jezus Christus,
22
Die aan de rechterhand van God is, opgevaren naar de hemel, terwijl de engelen, machten en krachten Hem onderworpen zijn.
1 Petrus vermaent de vrouwen tot onderdanigheyt aen hare mannen. 3 ende tot vercieringe niet des uyterlicken, maer des verborgen mensches. 5 Stelt haer tot dien eynde voor het exempel der heylige vrouwen in het Oude Testament, ende voornamelick van Sara. 7 Vermaent oock de mannen, dat sy met verstant by hare vrouwen woonen. 8 Komt daer na weder tot vermaningen van onderlinge liefde. 9 ende bysonderlick van verdraeghsaemheyt ende vreedsaemheyt, met belofte van Godts zegen uyt den 34 Psalm. 13 Wijst aen hoe sy niet en hebben te vreesen wanneer sy onschuldigh lijden, ende hoe sy altijt moeten bereyt zijn om reden te geven van de hope die in haer is. 18 Stelt haer voor oogen het exempel des lijdens Christi , ende sijne uytkomste uyt het selve. 19 gelijck oock het contrarie exempel der straffe van de ongehoorsaemheyt der eerste werelt ten tijden van Noë, ende der verlossinge van Noë door de Arke uyt het water, als hy met lijdtsaemheyt daer op verwacht hadde. 21 waer van nu oock de doop een tegenbeelt is, die ons wijst op de opstandinge ende heerlickheyt Christi .
1
DEsgelijcks ghy vrouwen, zijt uwe eygene mannen onderdanigh: op dat oock soo eenige
den woorde ongehoorsaem zijn, sy door den wandel der vrouwen sonder woort
mogen gewonnen worden:
2 Als sy sullen ingesien hebben uwen kuyschen wandel
in vreese.
3
Welcker
verciersel zy, niet het gene uyterlick is, [bestaende ] in het vlechten des hayrs, ende omhangen van gout, ofte van kleederen aen te trecken:
4 Maer
de verborgen mensche des herten, in ’t onverderflick [verſiersel ] eens sachtmoedigen ende stillen geests, die
kostelick is voor Godt.
5 Want alsoo vercierden haer selven eertijts oock
de heylige vrouwen, die op Godt hoopten, ende waren hare eygene mannen onderdanigh:
6
Gelijck Sara Abraham gehoorsaem is geweest, hem noemende heere, welcker
dochters
ghy geworden zijt, als ghy wel doet, ende niet en vreest
voor eenige verschrickinge.
7 Ghy mannen insgelijcks,
woonet by [haer ]
met verstant, den vrouwelicken
vate, als het swackste,
eere gevende, als die oock
mede-erfgenamen der genade des levens [met haer ] zijt: op dat uwe gebeden
niet verhindert en worden.
8
Ende eyndelick,
zijt alle eens gesint,
medelijdigh, de broeders lief hebbende,
met innerlicke barmhertigheyt beweeght,
vriendelick:
9
En vergelt niet quaet voor quaet, of schelden voor schelden:
maer zegent daer en tegen: wetende
dat ghy daer toe geroepen zijt,
op dat ghy
zegeninge soudt be-erven.
10
Want wie
het leven wil lief hebben, ende
goede dagen sien, die stille sijn tonge van het quaet, ende sijne lippen datse geen bedrogh en spreken:
11
Die wijcke af van het quade, ende doe het goede: die soecke vrede ende jage den selven na.
12 Want
de oogen des Heeren zijn over de rechtveerdige, ende sijne ooren tot haer gebedt: maer
het aengesicht des Heeren is tegen de gene die quaet doen.
13 Ende
wie is ’t die u quaet doen sal, indien ghy navolgers zijt van het goet?
14
Maer indien ghy oock lijdet om der gerechtigheyt wille soo zijt ghy saligh:
ende
en vreest niet uyt vreese van haer, noch en wert niet ontroert:
15
Maer
heylight Godt den Heere in uwe herten:
ende zijt altijt bereyt
tot verantwoordinge aen een yegelick
die u reeckenschap af eyscht
van de hope die in u is, met sachtmoedigheyt ende
vreese.
16 Ende
hebt een goede conscientie,
op dat in het gene sy qualick van u spreken, als van quaetdoenders, sy beschaemt mogen worden die uwen goeden wandel
in Christo lasteren.
17 Want het is beter dat ghy wel doende (indien het de wille Godts wil)
lijdet, dan quaet doende.
18
Want Christus heeft oock eens voor de sonden geleden, hy rechtveerdigh voor de onrechtveerdige: op dat hy ons tot Godt soude brengen, die wel is gedoodet
in het vleesch, maer levendigh gemaeckt
door den Geest:
19
In den welcken
hy oock
henen gegaen zijnde
den geesten
die in de gevangenisse [zijn ]
gepredickt heeft,
20
Die eertijts ongehoorsaem waren,
wanneer de lanckmoedigheyt Godts eenmael
verwachtede in de dagen van Noë, als de Arke toebereyt wiert: waer in weynige (
dat is acht)
zielen behouden wierden
door het water.
21
Waer van het
tegenbeelt de doop, ons nu oock behoudt,
niet die een aflegginge is der vuyligheyt
des lichaems, maer
die een vrage is
eener goeder conscientie tot Godt
door de opstandinge Iesu Christi,
22
Welcke is
aen de rechter [hant ] Godts, opgevaren ten hemel, de Engelen, ende machten, ende krachten hem onderdanigh gemaeckt zijnde.