1 Den Apostel om de Corintheren te beter te brengen tot recht gebruyck der middelmatige dingen, stelt haer voor sijn eygen exempel, ende tot dien eynde voeght hy hier tusschen eene handelinge van het onderhoudt der kercken-dienaren, ende betuyght dat hy so wel als andere Apostelen, de macht hadde om onderhoudt te ontfangen. 7 Brenght verscheydene redenen voor om sulcks te bewijsen, genomen van de gene die in den crijgh dienen, die eenen wijngaert planten, ende een cudde weyden. 9 van den osse die dorscht. 11 van een zaeyer. 13 van de gene die den Tempel ofte altaer dienen. 15 Ende verclaert dat hy evenwel dese macht niet en heeft gebruyckt, ende oock noch niet en heeft willen gebruycken, om dat hy sulcks niet stichtelijck onder haer en oordeelde, ende om also sijne macht niet te misbruycken. 19 Maer dat hy hem na de swacke Christenen, so Ioden als Heydenen in middelmatige saecken, allesins gevoecht heeft, om haer te beter te gewinnen. 24 Vermaent eyndtlijck door de gelijckenissen van de gene die om strijdt in de loop-bane loopen, ende camp-vechten ofte worstelen, als oock door sijn eygen exempel, tot soberheyt ende vlijtigen voortganck inde Godsalicheyt.
1 BEn ick niet een Apostel? Ben ick niet
vry?
Hebbe ick niet Iesum Christum onsen Heere
gesien?
Zijt ghy lieden niet
mijn werck inden Heere?
2 So ick anderen geen Apostel en ben, nochtans
ben ick’t u lieden. Want
het segel mijns Apostelschaps zijt ghy lieden inden Heere.
3 Mijne verantwoordinge aen de gene
die ondersoeck over my doen, is dese.
4
En hebben wy niet macht
om te eten, ende te drincken?
5 En hebben wy niet macht om
een wijf een suster zijnde
[met ons ] om te leyden, gelijck oock de andere Apostelen, ende
de broeders des Heeren, ende
Cephas?
6 Of hebben alleen ick ende Barnabas geen macht
van niet te wercken?
7 Wie
dient oyt inden krijch op eygen besoldinge? wie
plant eenen wijngaert, ende en eet niet van sijne vrucht? of
wie weydt een cudde, ende en eet niet van de melck der cudde?
8 Spreke ick dit
na den mensche? ofte en seght oock
de Wet het selve niet?
9 Want in de Wet Mosis is geschreven,
Ghy en sult
eenen dorschenden osse niet muyl-banden.
Sorght oock Godt voor de ossen?
10 Of seght hy [dat ] ganschelijck om onsent wille? Want om onsent wille is [dat ] geschreven: overmits die ploecht
op hope moet ploegen: ende die op hope dorscht, [moet ] sijner hope deelachtigh worden.
11
Indien
wy u lieden het geestelijcke gezaeyt hebben, is het een groote [saecke ] so wy het uwe
dat lichamelijck is, maeyen?
12 Indien
andere deser macht over u deelachtigh zijn, [waerom ] niet veel meer wy?
doch wy en hebben dese macht niet gebruyckt: maer wy verdragen’t al, op dat wy niet
eenige verhinderinge en geven den Euangelio Christi.
13 En weet ghy niet,
dat de gene
die de heylige dingen bedienen, van het heylige eten? [Ende ] die
den altaer steedts by zijn, deelen
met den altaer?
14
Alsoo heeft oock
de Heere geordineert, den genen die het Euangelium vercondigen, dat sy
van den Euangelio leven.
15 Maer ick en hebbe
geen van dese dingen gebruyckt. Ende ick en hebbe dit niet geschreven, op dat het alsoo aen my geschieden soude: want het ware my
beter te
sterven, dan dat yemandt
desen mijnen roem soude ydel maecken.
16 Want indien ick het Euangelium vercondige,
’t en is my geen roem:
want
de noodt is my opgeleght. Ende
wee my indien ick het Euangelium niet en vercondige.
17 Want indien ick dat
gewillich doe, so hebbe ick
loon: maer indien
onwilligh, de uytdeelinge is my [evenwel ]
toebetrouwt.
18
Wat loon hebbe ick dan? [Namelijck ] dat ick het Euangelium vercondigende het Euangelium Christi costeloos stelle, om
mijne macht in den Euangelio niet te
misbruycken.
19 Want daer ick
van allen vry was, hebbe ick my selven
allen dienstbaer gemaeckt, op dat ick’er meer soude
winnen .
20
Ende ick ben
den Ioden geworden als een Iode, op dat ick de Ioden winnen soude: den genen die onder
de Wet zijn, [ben ick geworden ] als onder de Wet zijnde, op dat ick de gene die onder de Wet zijn, winnen soude.
21
Den genen
die sonder de Wet zijn, [ben ick geworden ] als sonder de Wet zijnde, (Gode [nochtans ] zijnde niet sonder de Wet, maer
Christo onder de Wet) op dat ick de gene die sonder de Wet zijn, winnen soude.
22
Ick ben
den swacken geworden als een swacke, op dat ick de swacke winnen soude: allen ben ick alles geworden, op dat ick immers
eenige behouden soude.
23 Ende dit doe ick om des Euangeliums wille,
op dat ick des selven mede deelachtich soude worden.
24
Weet ghy lieden niet, dat die in
de loop-bane
loopen, alle wel loopen, maer [dat ]
een den prijs ontfanght? loopt
alsoo dat ghy [dien ] meugt
verkrijgen.
25
Ende een yegelijck
die [om prijs ] strijdt
onthoudt hem in alles. Dese dan [doen ] wel [dit ] op dat sy
een verderflijcke croone souden ontfangen, maer wy
een onverderflijcke.
26 Ick loope dan alsoo
, niet als op’t onseker: ick campe alsoo, niet
als de lucht slaende.
27 Maer ick
bedwinge mijn lichaem, ende brenge het
tot dienstbaerheyt, op dat ick niet eenichsins, daer ick andere
gepredickt hebbe, selve
verworpelijck en werde.
1 Den Apostel om de Corintheren te beter te brengen tot recht gebruyck der middelmatige dingen, stelt haer voor sijn eygen exempel, ende tot dien eynde voeght hy hier tusschen eene handelinge van het onderhoudt der kercken-dienaren, ende betuyght dat hy so wel als andere Apostelen, de macht hadde om onderhoudt te ontfangen. 7 Brenght verscheydene redenen voor om sulcks te bewijsen, genomen van de gene die in den crijgh dienen, die eenen wijngaert planten, ende een cudde weyden. 9 van den osse die dorscht. 11 van een zaeyer. 13 van de gene die den Tempel ofte altaer dienen. 15 Ende verclaert dat hy evenwel dese macht niet en heeft gebruyckt, ende oock noch niet en heeft willen gebruycken, om dat hy sulcks niet stichtelijck onder haer en oordeelde, ende om also sijne macht niet te misbruycken. 19 Maer dat hy hem na de swacke Christenen, so Ioden als Heydenen in middelmatige saecken, allesins gevoecht heeft, om haer te beter te gewinnen. 24 Vermaent eyndtlijck door de gelijckenissen van de gene die om strijdt in de loop-bane loopen, ende camp-vechten ofte worstelen, als oock door sijn eygen exempel, tot soberheyt ende vlijtigen voortganck inde Godsalicheyt.
1 BEn ick niet een Apostel? Ben ick niet
vry?
Hebbe ick niet Iesum Christum onsen Heere
gesien?
Zijt ghy lieden niet
mijn werck inden Heere?
2 So ick anderen geen Apostel en ben, nochtans
ben ick’t u lieden. Want
het segel mijns Apostelschaps zijt ghy lieden inden Heere.
3 Mijne verantwoordinge aen de gene
die ondersoeck over my doen, is dese.
4
En hebben wy niet macht
om te eten, ende te drincken?
5 En hebben wy niet macht om
een wijf een suster zijnde
[met ons ] om te leyden, gelijck oock de andere Apostelen, ende
de broeders des Heeren, ende
Cephas?
6 Of hebben alleen ick ende Barnabas geen macht
van niet te wercken?
7 Wie
dient oyt inden krijch op eygen besoldinge? wie
plant eenen wijngaert, ende en eet niet van sijne vrucht? of
wie weydt een cudde, ende en eet niet van de melck der cudde?
8 Spreke ick dit
na den mensche? ofte en seght oock
de Wet het selve niet?
9 Want in de Wet Mosis is geschreven,
Ghy en sult
eenen dorschenden osse niet muyl-banden.
Sorght oock Godt voor de ossen?
10 Of seght hy [dat ] ganschelijck om onsent wille? Want om onsent wille is [dat ] geschreven: overmits die ploecht
op hope moet ploegen: ende die op hope dorscht, [moet ] sijner hope deelachtigh worden.
11
Indien
wy u lieden het geestelijcke gezaeyt hebben, is het een groote [saecke ] so wy het uwe
dat lichamelijck is, maeyen?
12 Indien
andere deser macht over u deelachtigh zijn, [waerom ] niet veel meer wy?
doch wy en hebben dese macht niet gebruyckt: maer wy verdragen’t al, op dat wy niet
eenige verhinderinge en geven den Euangelio Christi.
13 En weet ghy niet,
dat de gene
die de heylige dingen bedienen, van het heylige eten? [Ende ] die
den altaer steedts by zijn, deelen
met den altaer?
14
Alsoo heeft oock
de Heere geordineert, den genen die het Euangelium vercondigen, dat sy
van den Euangelio leven.
15 Maer ick en hebbe
geen van dese dingen gebruyckt. Ende ick en hebbe dit niet geschreven, op dat het alsoo aen my geschieden soude: want het ware my
beter te
sterven, dan dat yemandt
desen mijnen roem soude ydel maecken.
16 Want indien ick het Euangelium vercondige,
’t en is my geen roem:
want
de noodt is my opgeleght. Ende
wee my indien ick het Euangelium niet en vercondige.
17 Want indien ick dat
gewillich doe, so hebbe ick
loon: maer indien
onwilligh, de uytdeelinge is my [evenwel ]
toebetrouwt.
18
Wat loon hebbe ick dan? [Namelijck ] dat ick het Euangelium vercondigende het Euangelium Christi costeloos stelle, om
mijne macht in den Euangelio niet te
misbruycken.
19 Want daer ick
van allen vry was, hebbe ick my selven
allen dienstbaer gemaeckt, op dat ick’er meer soude
winnen .
20
Ende ick ben
den Ioden geworden als een Iode, op dat ick de Ioden winnen soude: den genen die onder
de Wet zijn, [ben ick geworden ] als onder de Wet zijnde, op dat ick de gene die onder de Wet zijn, winnen soude.
21
Den genen
die sonder de Wet zijn, [ben ick geworden ] als sonder de Wet zijnde, (Gode [nochtans ] zijnde niet sonder de Wet, maer
Christo onder de Wet) op dat ick de gene die sonder de Wet zijn, winnen soude.
22
Ick ben
den swacken geworden als een swacke, op dat ick de swacke winnen soude: allen ben ick alles geworden, op dat ick immers
eenige behouden soude.
23 Ende dit doe ick om des Euangeliums wille,
op dat ick des selven mede deelachtich soude worden.
24
Weet ghy lieden niet, dat die in
de loop-bane
loopen, alle wel loopen, maer [dat ]
een den prijs ontfanght? loopt
alsoo dat ghy [dien ] meugt
verkrijgen.
25
Ende een yegelijck
die [om prijs ] strijdt
onthoudt hem in alles. Dese dan [doen ] wel [dit ] op dat sy
een verderflijcke croone souden ontfangen, maer wy
een onverderflijcke.
26 Ick loope dan alsoo
, niet als op’t onseker: ick campe alsoo, niet
als de lucht slaende.
27 Maer ick
bedwinge mijn lichaem, ende brenge het
tot dienstbaerheyt, op dat ick niet eenichsins, daer ick andere
gepredickt hebbe, selve
verworpelijck en werde.