Jeruzalems ontrouw, straf en herstel
1 Verder geschiedde het woord des Heeren tot mij, zeggende:
2 Mensenkind, maak Jeruzalem haar gruwelen bekend.
3 En zeg: Alzo zegt de Heere Heere tot Jeruzalem: Uw handelingen en uw geboorten zijn uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hethietische.
4 En aangaande uw geboorten: ten dage, als gij geboren waart, werd uw navel niet afgesneden; en gij waart niet met water gewassen, toen Ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven, noch in windselen gewonden.
5 Geen oog had medelijden met u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uw ziel, ten dage, toen gij geboren waart.
6 Toen Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef: ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef!
7 Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gegroeid, doch gij waart naakt en bloot.
8 Toen Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja,
Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere en gij werdt de Mijne.
9 Daarna waste Ik u met water, en Ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.
10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en Ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen, en bedekte u met zijde.
11 Ook versierde Ik u met sieraad, en deed armringen aan uw handen, en een keten aan uw hals.
12 Evenzo deed Ik u een voorhoofdsiersel aan uw aangezicht, en oorringen aan uw oren, en een kroon der heerlijkheid op uw hoofd.
13 Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honing, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.
14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uw schoonheid; want die was volmaakt door Mijn heerlijkheid, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere.
15 Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.
16 En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt gevlekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.
17 Daartoe hebt gij genomen de vaten van uw sieraad van Mijn goud en van Mijn zilver, dat Ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeelden gemaakt, en gij hebt met hen gehoereerd.
18 En gij hebt uw gestikte klederen genomen, en hebt ze bedekt; en gij hebt Mijn olie en Mijn reukwerk voor hun aangezichten gesteld.
19 En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honing, waarmee Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijke reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere Heere.
20 Verder hebt gij uw zonen en uw dochters, die gij Mij gebaard hadt, genomen, en hebt ze hun geofferd om te verteren; is dat wat kleins van uw hoererijen,
21 Dat gij Mijn kinderen
geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij ze voor hen door het vuur hebt doen gaan?
22 Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen van uw jeugd, toen gij naakt en bloot waart, toen gij vertreden waart in uw bloed.
23 Het is ook geschied na al uw boosheid, (wee, wee u, spreekt de Heere Heere),
24 Dat gij u een hoogte gebouwd hebt, en u een hoge plaats gemaakt hebt in elke straat.
25 Aan elk hoofd van de weg hebt gij uw hoge plaatsen gebouwd, en hebt uw schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt uw benen gespreid voor een ieder, die voorbijging, en hebt uw hoererijen vermenigvuldigd.
26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uw buren, die groot van vlees zijn; en gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd, om Mij tot toorn te verwekken.
27 Ziet, daarom strekte Ik Mijn hand over u uit, en verminderde het u bescheiden deel; en Ik gaf u over in de lust van hen, die u haten, van de dochters
der Filistijnen, die vanwege uw schandelijke weg beschaamd waren.
28 Verder hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadigbaar waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij ook niet verzadigd geworden.
29 Maar gij hebt uw hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaän tot in Chaldéa; en ook daarmee zijt gij niet verzadigd geworden.
30 Hoe zwak is uw hart (spreekt de Heere Heere) als gij al deze dingen doet, zijnde het werk van een heersende hoerachtige vrouw!
31 Als gij uw hoogte bouwt aan het hoofd van iedere weg, en uw hoge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als een hoer, het hoerenloon beschimpende.
32 O, die overspelige vrouw, zij neemt in plaats van haar man de vreemden aan.
33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan al uw minnaars, en gij geeft ze geschenken, opdat zij tot u van rondom zouden ingaan om uw hoererijen.
34 Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, daar men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt, zo zijt gij tot een tegendeel geworden.
35 Daarom, o hoer, hoor het woord des Heeren.
36 Alzo zegt de Heere Heere: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw minnaars ontbloot is, en met al de drekgoden van uw gruwelen, en na het bloed van uw kinderen, dat gij hun gegeven hebt;
37 Daarom, zie, Ik zal al uw minnaars vergaderen, met wie gij vermengd zijt geweest, en allen, die gij liefgehad hebt, met allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid openbaren, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.
38 Daartoe zal Ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten; en Ik zal u overgeven aan het bloed van de grimmigheid en van de naijver.
39 En Ik zal u in hun hand overgeven, en zij zullen uw hoogte afbreken, en uw hoge plaatsen omwerpen, en uw klederen u uittrekken, en uw sierlijke juwelen nemen, en u naakt en bloot laten.
40 Daarna zullen zij tegen u een vergadering doen opkomen, en zullen u met stenen stenigen, en u met hun zwaarden doorsteken.
41 Zij zullen ook uw huizen met
vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor de ogen van vele vrouwen; en Ik zal u doen ophouden een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.
42 Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn naijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen.
43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen van uw jeugd, en Mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zo zal Ik ook uw weg op uw hoofd geven, spreekt de Heere Heere; en gij zult die schandelijke daad niet doen boven al uw gruwelen.
44 Zie, een ieder, die spreekwoorden gebruikt, zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zo de moeder is, is haar dochter.
45 Gij zijt de dochter van uw moeder, die walgde van haar man en van haar kinderen; en gij zijt de zuster van uw zusters, die gewalgd hebben van hun mannen en van hun kinderen; uw moeder was een Hethietische, en uw vader een Amoriet.
46 Uw grote zuster nu is Samaria, zij en haar dochters, die woont aan uw linkerhand; maar uw zuster, die kleiner is dan gij, die aan uw rechterhand woont, is Sódom en haar dochters.
47 Doch gij hebt in hun wegen niet gewandeld, noch naar hun gruwelen gedaan; het was wat gerings, een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in al uw wegen.
48 Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, indien Sódom, uw zuster, zij met haar dochters, gedaan heeft, gelijk gij gedaan hebt en uw dochters!
49 Ziet, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sódom: hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en haar dochters; maar zij sterkte de hand van de arme en nooddruftige niet.
50 En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom
deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.
51 Samaria ook heeft naar de helft van uw zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.
52 Draag gij dan ook uw schande, gij, die voor uw zusters geoordeeld hebt door uw zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij; wees gij dan ook beschaamd, en draag uw schande, omdat gij uw zusters gerechtvaardigd hebt.
53 Als Ik hun gevangenen terugbrengen zal, namelijk de gevangenen van Sódom en haar dochters, en de gevangenen van Samaria en haar dochters, dan zal Ik terugbrengen de gevangenen van uw gevangenis in het midden van hen.
54 Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij hun troosten zult.
55 Als uw zusters, Sódom en haar dochters, zullen weerkeren tot hun vorige staat, alsook Samaria en haar dochters zullen weerkeren tot hun vorige staat, zult gij ook en uw dochters weerkeren tot uw vorige staat.
56 Ja, uw zuster Sódom is in uw mond niet gehoord geweest, ten dage van uw grote hoogmoed,
57 Aleer uw boosheid geopenbaard was. Toen de tijd was van de versmading van de dochters van Syrië, en van allen, die daar rondom waren, de dochters van de Filistijnen, die u verachten van rondom,
58 Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de Heere.
59 Want alzo zegt de Heere Heere: Ik zal u ook doen, zoals gij gedaan hebt, die de eed
veracht hebt, brekende het verbond.
60 Evenwel zal Ik gedachtig wezen aan Mijn verbond met u, in de dagen van uw jeugd, en Ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.
61 Dan zult gij aan uw wegen gedenken en beschaamd zijn, als gij uw zusters, die groter zijn dan gij, met hen, die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; want Ik zal u die geven tot
dochters, maar niet uit uw verbond.
62 Want Ik zal Mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben;
63 Opdat gij het gedachtig zijt, en u schaamt, en niet meer uw mond opent vanwege uw schande, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere.
Door de gelijckenisse van een nieuw geboren ende elendighlick verlaten dochterken, et c. stelt Godt den Ioden voor oogen, hare onweerdigheyt, ende sijne bysondere liefde ende weldadigheyt, die hy haer uyt louter genade bewesen heeft, vers en 1, 2, 3, et c. Daer tegen hare snoode ondanckbaerheyt ende ontrouwe, bewesen door allerleije grouwelicke afgoderije ende heydensche verbonden, 15. Voorts, de rechtveerdigheyt sijner gestrenge oordeelen over haer, 35. die sy (arger zijnde als hare susters, Sodom ende Samaria) wel verdient hadde, 45. met belofte nochtans van de genadige herstellinge, welcker sy, met de uytverkorene Heydenen, in den Messia souden deelachtigh worden, 60.
1 VOorder geschiedde des HEEREN woort tot my, seggende:
2 Menschen kint, maeckt
Ierusalem hare
grouwelen bekent:
3 Ende seght, Alsoo seyt de Heere HEERE tot Ierusalem; Uwe
handelingen, ende uwe
geboorten zijn uyt het lant der Canaaniten: u vader was
een Amoriter, ende uwe moeder eene
Hethitische.
4 Ende aengaende uwe geboorten,
ten dage, als ghy geboren waert,
en wiert uwe navel
niet afgesneden; ende ghy en waert niet met water gewasschen
doe ick [u ] aenschouwde: ghy en waert oock
geensins met sout gewreven, nochte in windelen gewonden.
5
Geene ooge en hadde medelijden over u, om u een
van dese dingen te doen, om sich over u te erbarmen: maer ghy
zijt geworpen geweest op ’t vlacke des velts, om de walgelickheyt
van uwe ziele, ten dage, doe ghy geboren waert.
6 Als ick by u voorby gingh, soo sagh ick u vertreden zijnde
in uwen bloede, ende ick seyde tot u
in uwen bloede,
Leeft;
ja ick seyde tot u in uwen bloede, Leeft.
7 Ick hebbe u tot
tien duysent, als het gewas des velts, gemaeckt; ende ghy zijt gegroeyt, ende groot geworden, ende zijt gekomen tot
groote cierlickheyt: [uwe ] borsten zijn vast geworden, ende u hayr is gewassen, doch ghy waert
naeckt, ende bloot.
8 Als ick nu by u voorby gingh, sagh ick u, ende siet, uwen tijt was de tijt
der minnen: soo
breydde ick mijnen vleugel over u uyt, ende deckte uwe
naecktheyt: ja
ick swoer u, ende quam met u in
een verbont, spreeckt de Heere HEERE, ende ghy wiert mijne.
9 Daer na
wiesch ick u met water, ende ick spoelde
u bloet van u af, ende
salfde u met olie.
10
Ick bekleedde u oock met
gestickt werck, ende ick schoeyde u met
dassenvellen, ende omgordde u met
fijn linnen, ende bedeckte u met sijde.
11 Oock vercierde ick u met cieraet, ende dede
armringen aen uwe handen, ende een
keten aen uwen
hals.
12 Desgelijcks dede ick een
voorhooft-ciersel
aen u aengesichte, ende
oorringen aen uwe ooren, ende
eene kroone der heerlickheyt op u hooft.
13
Soo waert ghy verciert met gout, ende silver, ende uwe kleedinge was fijn linnen, ende sijde, ende
gestickt werck: ghy aett
meelbloeme, ende honigh, ende olie: ende ghy waert
gantsch
seer schoone, ende waert voorspoedigh,
dat ghy een Koninckrijck wierdet.
14 Daer toe
gingh van u eenen naem uyt onder de Heydenen om uwe schoonheyt: want die was volmaeckt door mijne
heerlickheyt, die ick op u geleyt hadde, spreeckt de Heere HEERE.
15 Maer ghy hebt
vertrouwt op uwe schoonheyt, ende hebt
gehoereert
van wegen uwen naem: ja hebt uwe hoererijen uytgestort aen een yeder, die voorby gingh; voor hem was
sy.
16 Ende ghy hebt van uwe kleederen genomen, ende u gemaeckt gepleckte
hooghten, ende hebt daer op gehoereert:
[sulcks ] en is niet gekomen, ende en sal niet geschieden.
17 Daer toe hebt ghy genomen
de vaten uwes cieraets van
mijn gout ende van mijn silver, dat ick u gegeven hadde; ende ghy hebt u
mans beelden
gemaeckt: ende ghy hebt met deselve
gehoereert.
18 Ende ghy hebt uwe gestickte kleederen genomen, ende
hebtse bedeckt: ende ghy hebt
mijne olie, ende mijn
reuckwerck voor hare aengesichten gestelt.
19 Ende mijn broot, ’t welcke ick u gaf, meelbloeme, ende olie, ende honigh, [daer mede ] ick u spijsde, dat hebt ghy oock voor
hare aengesichten gestelt tot eenen
lieflicken reuck; soo is het geschiet: spreeckt de Heere HEERE.
20 Voorder hebt ghy uwe sonen, ende uwe dochteren, die ghy
my gebaert hadt, genomen, ende hebtse
den selven geoffert
om te verteeren:
Is ’t wat kleyns van uwe hoererijen,
21 Dat ghy mijne kinderen
geslachtet hebt, ende hebtse over gegeven, als ghy deselve
voor hen door [het vyer ] hebt doen gaen?
22 Oock en hebt ghy by alle uwe grouwelen, ende uwe hoererijen niet gedacht aen de dagen
uwer jonckheyt, als
ghy naeckt, ende bloot waert, [als ] ghy
vertreden waert in uwen bloede.
23 Het is oock geschiet na alle uwe boosheyt (wee, wee u, spreeckt de Heere HEERE);
24 Dat ghy u een
verwelfsel gebouwt hebt, ende u eene hooge plaetse gemaeckt hebt in elcke strate.
25
Aen elck hooft des weghs hebt ghy uwe hooge plaetse gebouwt, ende hebt uwe schoonheyt grouwelick gemaeckt, ende
hebt met uwe
beenen gegerdet voor een yeder, die voorby gingh, ende hebt uwe hoererijen vermenighvuldight.
26 Ghy hebt oock
gehoereert met de
kinderen van Egypten uwe naburen, die
groot van vleesche zijn: ende ghy hebt uwe hoererije vermenighvuldight, om my tot toorn te verwecken.
27 Siet, daerom
streckte ick mijne hant over u uyt, ende verminderde u
bescheyden deel: ende ick
gaf u over in den lust der gener, die u haten,
der dochteren
der Philistijnen, die van wegen
uwen schendelicken wegh beschaemt waren.
28 Voorder hebt ghy
gehoereert met de
kinderen van Assur, om dat ghy
onverzadelick waert: ja, als ghy met hen gehoereert hebt; en zijt ghy oock niet verzadight geworden.
29 Maer ghy hebt uwe hoererije vermenighvuldight
in het lant van Canaan tot in Chaldeen: ende daer mede oock en zijt ghy niet verzadight geworden.
30 Hoe
swack is u herte (spreeckt de Heere HEERE) als ghy alle dese dingen doet, [zijnde ] het werck van eene
heerschende hoerachtige vrouwe?
31 Als ghy u
verwelfsel bouwt
aen het hooft van yeder wegh, ende uwe hooge plaetse maeckt in elcke strate, ende niet en zijt geweest, als
eene hoere, den hoerenloon beschimpende.
32 O die
overspelige vrouwe! sy neemt in plaetse van
haren man de
vreemde aen.
33
Men geeft loon aen alle hoeren: maer ghy geeft
uwen loon allen uwen
boelen, ende ghy beschencktse, op datse tot u
van rontom
souden ingaen
om uwe hoererijen.
34 Soo geschiet met u in uwe hoererijen
het tegendeel
van de wijven,
dewijle men u niet na en loopt, om te hoereeren: want als ghy hoerenloon geeft, ende het hoerenloon u niet gegeven en wort, soo zijt ghy tot een tegendeel geworden.
35 Daerom, O hoere, hoort des HEEREN woort.
36 Alsoo seyt de Heere HEERE, om dat u
vergift uytgestort is, ende uwe schaemte door uwe hoererijen met
uwe boelen ontdeckt is; ende met alle de dreckgoden
uwer grouwelen; ende na het
bloet uwer kinderen, dat ghy hen gegeven hebt;
37 Daerom, siet, ick sal alle uwe
boelen vergaderen met dewelcke ghy
vermenght zijt geweest, ende alle die ghy lief gehadt hebt, met alle die ghy gehaet hebt: ende ick salse van rontom vergaderen tegen u; ende ick sal voor hen
uwe naecktheyt ontdecken, datse uwe gantsche naecktheyt sien sullen.
38 Daer toe sal ick u [na ]
de rechten der overspeelderssen, ende
der bloetvergieterssen richten: ende ick sal u over geven
den bloede der grimmigheyt, ende des
yvers.
39 Ende ick sal u in hare hant over geven, ende sy sullen u verwelfsel afbreken, ende uwe hooge plaetsen ommewerpen, ende uwe kleederen u uyttrecken, ende uwe
cierlicke juweelen nemen, ende u naeckt, ende bloot laten.
40 Daer na sullen sy tegen u eene vergaderinge doen opkomen, ende sullen u met steenen steenigen, ende u met hare sweerden doorsteken.
41 Sy sullen oock uwe huysen
met
vyer verbranden, ende oordeelen tegen u uytvoeren voor veler
wijven oogen, ende ick sal u doen ophouden van een hoere te zijn; ende ghy en sult oock niet meer hoerenloon geven.
42 Soo sal ick
mijne grimmigheyt op u doen rusten, ende
mijnen yver sal van u afwijcken: ende ick sal stille zijn, ende niet meer toornigh wesen.
43 Daerom dat ghy niet gedacht en hebt
aen de dagen uwer jonckheyt, ende my
tot beroeringe geweest zijt met allen desen: siet, soo sal ick oock
uwen wegh op [uwen ]
kop geven, spreeckt de Heere HEERE; ende ghy en sult
die schendelicke daet niet doen boven alle uwe
grouwelen.
44 Siet, een yeder, die spreeckwoorden gebruyckt, sal van u een
spreeckwoort gebruycken, seggende:
Soo de moeder is, is hare dochter.
45
Ghy zijt de dochter uwer moeder, die de walge hadde
van haren man, ende van hare kinderen: ende ghy zijt de suster
uwer susteren, die de walge gehadt hebben van hare mannen, ende van hare kinderen:
uwe moeder was een Hethitische, ende uw’ vader een Amoriter.
46 Uwe
groote suster nu is Samaria, sy, ende hare
dochteren, dewelcke woont
aen uwe slincker hant: maer uwe suster, die kleynder is dan ghy, die tegen uwe rechter hant woont, is Sodom, ende hare dochteren.
47 Doch ghy en
hebt in hare wegen niet gewandelt, nochte na hare grouwelen gedaen:
het was wat geringhs,
een verdriet: maer ghy hebt het
meer verdorven, dan sy, in alle uwe
wegen.
48 [Soo waerachtigh als ] ick leve spreeckt de Heere HEERE, indien Sodom uwe suster, sy met hare dochteren, gedaen heeft gelijck ghy gedaen hebt, ende uwe dochteren
!
49 Siet, dit was de ongerechtigheyt uwer suster Sodom: hooghmoet,
satheyt van broot, ende
stille gerustheyt hadde sy, ende hare dochteren; maer sy en sterckte de hant des armen, ende nootdruftigen niet.
50 Ende sy verhieven sich, ende deden
grouwelickheyt
voor mijn aengesichte: daerom
dede ickse wech,
na dat ick het gesien hadde.
51 Samaria oock en heeft na de helft uwer sonden
niet gesondight: ende ghy hebt uwe grouwelen meer dan sy vermenighvuldight, ende hebt uwe susters
gerechtveerdight door alle uwe grouwelen die ghy gedaen hebt.
52 Draeght ghy [dan ] oock uwe schande, ghy die voor uwe
susteren
geoordeelt hebt, door uwe sonden, die ghy grouwelicker gemaeckt hebt dan sy; sy zijn rechtveerdiger dan ghy: weest ghy dan oock beschaemt: ende draeght uwe schande, om dat ghy uwe
susters gerechtveerdight hebt.
53 Als ick hare
gevangene weder brengen sal [namelick ] de gevangene van Sodom, ende hare dochteren, ende de
gevangene van Samaria, ende hare dochteren;
dan [sal ick weder brengen ] de gevangene uwer gevangenissen in het midden van hen:
54 Op dat ghy uwe schande draeght, ende te schande gemaeckt wort, om al het gene dat ghy gedaen hebt: als ghy
haer
troosten sult.
55 Als uwe susters, Sodom ende hare dochteren sullen weder keeren tot haren vorigen staet, mitsgaders Samaria, ende hare dochteren, sullen weder keeren tot haren vorigen staet; sult ghy oock, ende uwe dochteren weder keeren tot uwen vorigen staet.
56 Ia uwe suster Sodom
en is in uwen mont niet gehoort geweest; ten dage
uwes grooten hooghmoedts,
57 Al eer uwe boosheyt
ontdeckt was. Als de tijt was
der versmadinge van de dochteren van Syrien, ende van alle de gene die rontom
dat selve waren,
de dochteren der Philistijnen, die u
verachteden
van rontom,
58 Hebt ghy
uwe schendelicke daden, ende uwe grouwelen gedragen: spreeckt de HEERE.
59 Want alsoo seyt de Heere HEERE;
Ick sal u oock doen gelijck als ghy gedaen hebt, die den
eedt
veracht hebt, brekende het
verbont.
60 Evenwel sal ick
gedachtigh wesen mijnes verbonts
met u, in de dagen uwer jonckheyt, ende ick sal met u een
eeuwigh verbont oprechten.
61 Dan sult
ghy uwer wegen gedencken ende beschaemt zijn, als ghy
uwe susteren, die grooter zijn dan ghy, met de gene, die kleynder zijn dan ghy,
aennemen sult: want ick sal u deselve geven
tot
dochteren, maer niet uyt
u verbont.
62 Want ick sal mijn
verbont met u
oprechten: ende ghy sult weten, dat ick de HEERE ben:
63 Op dat ghy ’t gedachtigh zijt, ende u schaemt, ende
niet meer uwen mont en opent, van wegen uwe schande, wanneer ick
voor u versoeninge doen sal over al het gene dat ghy gedaen hebt, spreeckt de Heere HEERE.