Het kritisch gebruik van de Hebreeuwse bijbels in de Statenvertaling 1637
De Statenvertaling is, wat betreft het Oude Testament, op een andere Hebreeuwse tekst gebaseerd dan de NBG 1951 en de Nieuwe Bijbelvertaling. Maar op welke Hebreeuwse tekst gaat de Statenvertaling eigenlijk terug? En kun je wel spreken over dé brontekst van de Statenvertaling, of maakten de vertalers gebruik van meerdere tekstedities? Tot slot: welke verschillen zijn er tussen de Statenvertaling en andere vertalingen door het verschil in brontekstgebruik? Op deze vragen geeft dit artikel een antwoord.
De Statenvertaling van 1637 is de eerste Nederlandse Bijbelvertaling waarvan de canonieke boeken van het Oude Testament volledig uit de Hebreeuwse en Aramese bronteksten zijn vertaald. Vóór die tijd was de Duitse Lutherbijbel de basis voor de protestantse Bijbelvertaling in het Nederlands. In 1562 was in Emden de Deux-Aesbijbel verschenen, waarvan het Oude Testament terugging op de Bijbel van Luther.1 Maar er was al vrij snel kritiek gekomen op deze vertaling. Dit had onder andere te maken met het feit dat de wetenschappelijke bestudering van de Hebreeuwse brontekst in de tweede helft van de zestiende eeuw een hoge vlucht had genomen. Daardoor konden kenners van het Hebreeuws de Deux-Aesbijbel toetsen aan de oorspronkelijke Hebreeuwse versie.
Steeds meer gereformeerde predikanten en Bijbelwetenschappers constateerden dat de Deux-Aesbijbel als vertaling in veel opzichten niet meer aan de eisen voldeed.2 Soms was er verkeerd uit het Duits vertaald, en soms was de betekenis van het Hebreeuws verkeerd weergegeven. Op meerdere plaatsen bleken versdelen in de vertaling te zijn weggelaten, elders waren woorden of verzen verplaatst. De Deux-Aesbijbel bleef net als de Lutherbijbel vaak dicht bij de Vulgata.3 Terwijl deze Bijbeluitgave door het grote publiek zeer werd gewaardeerd – er zijn zo’n tweehonderd edities van geïnventariseerd – groeide in wetenschappelijke kring de onvrede.4
Met het oog daarop besloot uiteindelijk de Synode van Dordrecht (1618-1619) dat er een nieuwe Nederlandse Bijbelvertaling moest komen, rechtstreeks uit de bronteksten. Gezien de vele vraagtekens die men stelde bij de kwaliteit van de Deux-Aesbijbel, verbaast het niet dat de vertalers als eerste richtlijn meekregen:5 Ut originali textui semper religiose adhaereant, atque ipsas originalium linguarum phrases, quantum orationis perspicuitas et sermonis Belgici proprietas permittunt, sollicite retineant, ‘Dat zij (de vertalers, JvD) altijd zorgvuldig bij de oorspronkelijke tekst blijven, en de manieren van spreken der oorspronkelijke talen, zoveel de duidelijkheid en eigenschap der Nederlandse spraken kan toelaten, nauwkeurig bewaren.’
In deze bijdrage ga ik in op een aantal vragen die te maken hebben met het brontekstgebruik van de Statenvertalers. Wat was voor de vertalers van de Hebreeuwse boeken van het Oude Testament de oorspronkelijke tekst? Welke tekstedities hebben zij gebruikt? Hoe zijn ze omgegaan met varianten in de verschillende tekstedities en teksttradities?
Allereerst inventariseer ik de verschillende tekstedities waarover de Statenvertalers beschikten. Vervolgens bespreek ik gevallen waarin de vertalers strikt de door hen gekozen Hebreeuwse brontekst volgden. Daarna wijs ik op teksten waarin de Statenvertalers de voorkeur gaven aan andere lezingen dan hun Hebreeuwse tekst. Ik eindig met een aantal concluderende opmerkingen.
De Hebreeuwse bronteksten
Tijdens het vertaalproces stond het werk vanuit de bronteksten van de Bijbel centraal. Helaas zijn er geen lijsten waarop de Statenvertalers zelf hebben aangegeven welke Hebreeuwse tekstedities ze hebben gebruikt. Van een van de vertalers, Baudartius, is bekend dat hij van plan was om als langst levende vertaler van het Oude Testament een persoonlijk verslag te schrijven over zijn vertaalwerkzaamheden.6 Maar voordat hij dat kon afmaken, overleed hij in 1640 te Zutphen.
In de secundaire literatuur over de Statenbijbel lopen de ideeën over de bibliotheek van de vertalers nogal uiteen. De Leidse kerkhistoricus C.C. de Bruin vermoedt dat de vertalers van het Oude Testament konden beschikken over de rabbijnenbijbel van Johannes Buxtorf.7 Dit concludeert hij uit het feit dat de voorzitter van de vertaalcommissie, Johannes Bogerman, een exemplaar van deze Bijbel in zijn bezit had. Daarnaast zijn er enkele citaten uit deze editie in de notities van de Statenvertalers terug te vinden. De rabbijnenbijbel van Buxtorf bevatte de gevocaliseerde Hebreeuwse tekst uit de derde druk van de rabbijnenbijbel van Bomberg (1546-1548), en die zou wat betreft de Bijbeltekst weer teruggaan op de uitgave van Jakob ben Chajjim uit 1525-1526. In rabbijnenbijbels staan behalve de Hebreeuwse tekst ook de Targoem en Bijbelcommentaren van middeleeuwse geleerden zoals Ibn Ezra en Rasji.
Daarnaast zullen de Statenvertalers zeker de Antwerpse polyglot van Plantijn – ook wel Biblia Regia genoemd – hebben gebruikt. Deze polyglot (een Bijbelvertaling in meerdere talen) bevat naast de Hebreeuwse tekst ook de Vulgata, de Septuaginta en de Targoem, met de Latijnse vertalingen van de twee laatst genoemde versies. De Biblia Regia werd tussen 1568 en 1572 uitgegeven door de Antwerpse boekdrukker Christoffel Plantijn in opdracht van de Spaanse koning Filips II.8 De inhoudelijke verantwoordelijkheid voor de Biblia Regia lag bij Benedictus Arias Montanus.9 Een exemplaar van deze Bijbel werd door Willem van Oranje in 1575 aan de Leidse Universiteitsbibliotheek geschonken.10
Verreweg de meeste informatie over de bibliotheek van de Statenvertalers biedt de oudtestamenticus en Bijbelvertaler C.M.L. Verdegaal.11 Zijn onderzoek bevestigt dat de vertalers de beschikking hadden over de rabbijnenbijbel van Johannes Buxtorf en over de Biblia Regia. Verder gebruikten ze de Hebreeuwse uitgave van Benedictus Arias Montanus met een interlineaire Latijnse vertaling, gebaseerd op de vertaling van Sanctes Pagninus. Een andere editie van de Hebreeuwse Bijbel die de vertalers hebben kunnen raadplegen, is de uitgave van Sebastianus Munsterus uit 1534-1535 (Bazel).12 Deze gevocaliseerde teksteditie van de Tenach, getiteld מִקְדַּדשׁ יְיָ, Miqdasj JHWH, ‘Het heiligdom van JHWH’, bevatte ook een Latijnse vertaling van Munsterus zelf. Tot slot gebruikten de vertalers mogelijk een aantal ongevocaliseerde Hebreeuwse teksten: de editie van Robertus Stephanus (1546), die van Plantijn (1573 en 1580), die van Waldkirch (1611), een Geneefse druk uit 1618, en de eerste volledige Noord-Nederlandse, ongevocaliseerde uitgave van de Hebreeuwse Bijbel van Plantijn in Leiden, bezorgd door Raphelengius (1610). Ook deze teksten had Bogerman in zijn bibliotheek.
Verdegaal concludeert dat de vertalers en revisoren van de Statenvertaling in elk geval drie tekstedities hebben gebruikt: die van Buxtorf, die van Munsterus en die van Pagninus/Arias Montanus.13
Tegelijk moeten we niet vergeten dat de vertalers in Leiden (waar ze gehuisvest waren voor het werk aan deze vertaling) de universiteitsbibliotheek konden raadplegen. Daar was zo ongeveer alles te vinden wat in de zestiende en zeventiende eeuw op het gebied van de Bijbelwetenschap als belangrijk gold, en met name de werken van christelijke hebraïsten zoals Johannes Reuchlin, Joannes Mercerus, Johannes Drusius en Immanuel Tremellius.14
Navolging van de Buxtorf-editie
De vertaling van de canonieke boeken van het Oude Testament in de Statenvertaling onderscheidt zich van andere vertalingen door het gebruik van de Buxtorf-versie van de rabbijnenbijbel. Met name bij een vergelijking met moderne vertalingen die de Biblia Hebraica Stuttgartensia (BHS, Codex Leningradensis B19A) als basistekst hebben, springen de verschillen in het oog. Die verschillen hebben te maken met de specifieke kenmerken van de rabbijnenbijbel en de BHS wat betreft accentuatie, vocalisatie, consonantenschrift, tekstindeling, lay-out, masoretische aantekeningen, de volgorde van de Bijbelboeken en drukfouten.15
Op de vraag hoe talrijk de verschillen zijn, wordt in de literatuur over de vertalingen die op edities van de rabbijnenbijbel teruggaan – en dat zijn alle Bijbelvertalingen vóór het verschijnen van de derde druk van de Biblia Hebraica van Rudolf Kittel in 1937 – geen eensluidend antwoord gegeven.16 Een probleem daarbij is dat alle edities van de rabbijnenbijbel onderling verschillen vertonen en onnauwkeurigheden bevatten.17 Evenals trouwens de vele edities van de Hebreeuwse tekst die teruggaan op het werk van Jakob ben Chajjim. Zijn uitgave van de rabbijnenbijbel vertegenwoordigt wat als de zogenoemde textus receptus werd beschouwd. In The Hebrew University Bible worden de (honderden) verschillen wat betreft de orthografie, vocaaltekens en accentuatie van de rabbijnenbijbel van Jakob ben Chajjim ten opzichte van de Codex Aleppo vermeld.18
Tetragrammaton
Een van de opvallendste verschillen tussen de rabbijnenbijbel en andere Hebreeuwse tekstuitgaven houdt verband met de vocalisatie van het tetragrammaton. De Statenvertalers hebben hierover een kanttekening gemaakt bij Genesis 2:4b, het eerste vers waarin het tetragrammaton in de Bijbel voorkomt. In deze kanttekening geven zij een toelichting bij de weergave van het tetragrammaton:
Na de voleyndinge van het werck der scheppinge, wort hier aldereerst Gode de naem van IEHOVAH gegeven, beteeckenende den selfstandigen, selfwesenden, van hem selven zijnde van eeuwicheyt tot eeuwicheyt, ende den oorspronck ofte oorsake van het wesen aller dingen; daerom oock dese naem den waren Godt alleen toecomt. Onthoudt dit eens voor al; waer ghy voortaen het woord HEERE met groote letteren geschreven vindt, dat aldaer in ’t Hebr. het woort IEHOVAH, ofte korter, IAH, staet.
De drie klinkertekens bij de godsnaam JHWH in de rabbijnenbijbel zijn de vocalen van het Hebreeuwse woord ’adonaj, ‘mijn heer’. De Statenvertalers realiseerden zich niet dat het tetragrammaton met de drie klinkertekens sjwa, cholèm en qamets een zogenaamd qeree perpetuum voorstelt. Bij een qeree perpetuum is het de bedoeling om het woord te lezen dat oorspronkelijk bij de klinkers hoort. Het is dus niet de bedoeling om de medeklinkers JHWH te combineren met de klinkertekens sjwa, cholèm en qamets tot de naam IEHOVAH. De vocalisatie in de rabbijnenbijbel wijst er immers op dat de godsnaam als ’adonaj moet worden gelezen. In de BHS, die teruggaat op de Codex Leningradensis, het oudste volledige handschrift van de Hebreeuwse Bijbel, is de godsnaam gewoonlijk niet gevocaliseerd met drie klinkertekens (sjwa, cholèm en qamets), maar met twee klinkertekens (sjwa en qamets). Die vocalisatie is ontleend aan het Aramese woord sjema’ dat ‘de naam’ betekent.19
Sefanja 3:15b
Verder zijn er diverse gevallen te noemen waarin de Statenvertalers een bepaald woord uit de rabbijnenbijbel van Buxtorf hebben overgenomen, terwijl dat woord afwijkt van andere tekstversies waarover de vertalers beschikten. Een voorbeeld vinden we in Sefanja 3:15b, waar de Statenvertalers hebben vertaald: ‘de Coninck Israëls, de HEERE is in’t midden van u, ghy en sult geen quaet meer sien (cursief JvD).’ Dat laatste betekent dat Israël geen tegenspoed of onheil meer zal treffen.20
In de NBG-vertaling 1951 luidt hetzelfde versdeel: ‘De Koning Israëls, de HERE, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen (cursief JvD).’ Het verschil tussen beide vertalingen is te verklaren uit de verschillende bronteksten die de vertalers hebben gebruikt. Voor de NBG-vertaling 1951 is de Codex Leningradensis gebruikt. Daarin staat in vers 15b de persoonsvorm תִּירְאִי, een imperfectum-vorm van het werkwoord יָרֵא, ‘vrezen’. In de rabbijnenbijbel van Buxtorf die de Statenvertalers raadpleegden, staat op dezelfde plaats de werkwoordsvorm תִּרְאִי, een imperfectum-vorm van het werkwoord רָאָה, ‘zien’.
De twee andere Hebreeuwse Bijbels die de Statenvertalers met zekerheid hebben gebruikt, de Biblia Regia en de interlineaire Hebreeuws-Latijnse uitgave van Arias Montanus-Pagninus, komen met de rabbijnenbijbel overeen. Maar in de Biblia Regia is ook de Vulgata opgenomen, en die leest non timebis malum ultra, ‘gij zult geen kwaad meer vrezen (cursief JvD)’. Deze lezing wordt ook vermeld in de Duitse vertaling van Piscator, de Latijnse vertaling van Tremellius en in de kantlijn van de interlineaire Hebreeuws-Latijnse editie van Arias Montanus. Ook in de Complutensische Polyglot (een meertalige Bijbel uit 1514-1517) staat in Sefanja 3:15b ‘vrezen’ (תִּירְאִי) in plaats van ‘zien’.21
Overzicht van twee pagina’s in de Biblia Regia, de Antwerpse polyglot van Christoffel Plantijn. Op de linkerpagina staat de Hebreeuwse gevocaliseerde bijbeltekst, met rechts daarvan de Vulgata. Daaronder staat de tekst van de Targoem. Op de rechterpagina staat rechts de tekst van de Septuaginta, met links een vertaling daarvan in eht Latijn. Daaronder staat de Latijnse vertaling van de Targoem. Afgebeeld is een gedeelte uit Sefanja 3. Foto: NBG/Sandra Haverman.
De Statenvertalers hielden zich evenwel aan het Hebreeuwse aanbod van de rabbijnenbijbel van Buxtorf. In de kanttekeningen geven zij weliswaar een bijzondere draai aan de vertaling. Bij ‘ghy en sult geen quaet meer sien’ noteerden zij: Dat is: ghy en hoeft u voor geen quaet meer te vreesen (…). Met die aanvullende uitleg hebben zij geen andere Hebreeuwse tekst meer nodig en hebben ze toch hun interpretaties verbonden aan de lezing in de rabbijnenbijbel van Buxtorf.22
Een bladzijde uit de rabbijnenbijbel met de tekst van Sefanja 3:15.
Spreuken 8:16
Een ander voorbeeld van een variant in de Masoretische Tekst die onder andere bekend is via de rabbijnenbijbel, is te vinden in Spreuken 8:16. De Statenvertaling geeft dat vers weer met: ‘Door my heerschen de Heerschers, ende de Princen, alle de Richters der aerde (cursief JvD).’ In de NBV luidt de vertaling: ‘Vorsten heersen dankzij mij, / ik laat leiders rechtvaardig (cursief JvD) regeren.’
Het verschil in de vertalingen wordt veroorzaakt door het laatste woord in de Hebreeuwse tekst van vers 16. De rabbijnenbijbel van Buxtorf sluit het vers af met: אָרֶץ כָּל־שֺׁפטֵי. In de BHS eindigt het vers met drie andere consonanten: צֶדֶק כָּל־שֺׁפטֵי. De Statenvertalers hebben de Hebreeuwse tekst van Buxtorf gevolgd. Via de Targoem en de Vulgata waren zij weliswaar bekend met de צֶדֶק-variant, maar de vertalers hadden weinig reden om daaraan de voorkeur te geven. Zij hielden zich aan het tekstaanbod van de Bijbeluitgave van Buxtorf.
In hun voetsporen treedt de NBG-vertaling 1951 die, tegen de lezing van de Codex Leningradensis in, Spreuken 8:16 weergeeft met: ‘Door mij heersen de vorsten en de edelen, al de rechters der aarde.’23 Ook moderne commentatoren kiezen trouwens voor de lezing van de rabbijnenbijbel, omdat die stilistisch beter zou aansluiten bij de context van Spreuken 8:15-16.24 In de Biblia Hebraica Quinta wordt deze variant echter beoordeeld als een bewuste aanpassing van de tekst aan een uitdrukking die wel vaker in de Hebreeuwse Bijbel voorkomt (Psalm 2:10, 148:11, Jesaja 40:23).25
Spreuken 10:3
Een bevestiging dat de Statenvertalers de Buxtorf-editie van de rabbijnenbijbel hebben gebruikt, levert de vertaling van Spreuken 10:3. Die luidt: ‘De HEERE en laet de ziele des rechtveerdigen niet hongeren; maer de have der godtloosen stoot hy wech.’ De tweede helft van het vers vormt een antithese met de eerste helft: er wordt afgerekend met de רְשָׁעִים, ‘goddelozen’, die zich verrijkt hebben met andermans goed. In de editie van de rabbijnenbijbel van Jakob ben Chajjim uit 1525-26 stond בּוֹגְדִים, ‘bedriegers’, in plaats van רְשָׁעִים, ‘goddelozen’.26 Die lezing heeft niet standgehouden als de beste van de masoretische tekstoverlevering. Elke heruitgave van de rabbijnenbijbel, inclusief die van Buxtorf, was een recensie van de Masoretische Tekst. De Hebreeuwse tekstoverlevering werd kritisch bestudeerd en op basis van wetenschappelijke argumenten opnieuw vastgesteld. Het vertaalwerk van de Statenvertalers was wat betreft de inhoud van de Hebreeuwse brontekst gebaseerd op het meest recente Bijbelonderzoek in hun tijd. Zo namen zij de nieuwste lezing van Spreuken 10:3 op in hun vertaling.
Afwijkingen van de Buxtorf-editie
1 Koningen 20:38
De Statenvertalers volgden niet overal de Hebreeuwse tekst van de Buxtorf-editie van de rabbijnenbijbel. Een voorbeeld is te vinden in 1 Koningen 20:35-43, waar wordt verteld hoe een profeet de koning van Israël de les leest vanwege zijn coulante houding tegenover de koning van Aram. De profeet doet zich voor als iemand die aan het hoofd gewond is geraakt, en hij vermomt zich door iets (namelijk אֲפֵר) op of over zijn ogen te doen (1 Koningen 20:38). De Statenvertalers gaven het woord אֲפֵר weer met ‘as’, alsof er אֵפֶר stond, een woord dat ‘as, stof’ betekent.
Maar met een vocalisatie zoals in de Hebreeuwse brontekst van vers 38 (en 41) betekent אֲפֵר ‘doek, hoed’, zoals de grote woordenboeken van Buxtorf en Sanctes Pagninus, waarover de Statenvertalers beschikten, duidelijk aangaven.27 De Statenvertalers laten in de kanttekeningen doorschemeren dat zij die betekenis van אֲפֵר hebben gekend. Zij lichten het vermommen door de profeet als volgt toe:
Het Hebr. woort beteeckent, sich veranderen om niet bekent te worden: het welcke dese Propheet gedaen heeft met asschen op sijn aengesicht te stroyen, ofte, (gelijck andere oversetten) met een decksel op sijn oogen te doen …
Als alternatieve betekenis voor ‘as, stof’ geven zij in de daaropvolgende kanttekening ‘sluyer’ en ‘decksel’.
Maar om een of andere reden hebben de Statenvertalers, tegen de Hebreeuwse tekst in (zoals ook weergegeven in de Buxtorf-editie), vastgehouden aan de weergave van de King James Version, aan de vertaling van de door hen zeer geëerde Piscator, en aan de vertaling van Luther, zoals weergegeven in de Deux-Aesbijbel.28 Hoewel het veel logischer is dat de gewonde profeet zich vermomt door een verband om zijn hoofd te doen. In de Herziene Statenvertaling (2010) is de keuze van de eerste vertalers gecorrigeerd: ‘Hij had zichzelf vermomd met een band (cursief JvD) over zijn ogen.’
In de Antwerpse polyglot is een Hebreeuws-Latijnse uitgave opgenomen. De Latijnse vertaling is van de hand van Sanctes Pagninus. In de marge staan alternatieve lezingen en interpretaties. Op de foto staat de tekst van een gedeelte uit 1 Koningen 20. Bij vers 38 staat interlineair de vertaling ‘(omslag)doek’ (velum), in de marge de vertaling ‘hoed’ (pileum). Foto: NBG/Sandra Haverman.
Jozua 21:36-37
Een andere passage waarin de Statenvertalers hun Hebreeuwse Buxtorf-editie niet hebben gevolgd, is Jozua 21:36-37. In Jozua 21 is in een lijst aangegeven welke steden in de gebieden van de verschillende stammen van Israël zijn bestemd voor de Levieten. Jozua 21:7 meldt dat er twaalf steden in het gebied van de stammen Ruben, Gad en Zebulon worden toegewezen aan de Levieten die van Merari afstammen. Welke steden dat precies zijn, staat in het gedeelte vanaf Jozua 21:34. De Hebreeuwse tekst van Buxtorf – evenals de rabbijnenbijbel van Jakob ben Chajjim – noemt alleen de acht steden in het gebied van Zebulon en Gad, niet de vier steden in het gebied van de stam Ruben.29 Daarachter gaat ongetwijfeld een probleem in de Hebreeuwse tekstoverlevering schuil.30 De Septuaginta, de Vulgata en een aantal middeleeuwse handschriften vermelden de ontbrekende vier steden wel. Ze komen ook voor in de Pesjitta, de oude Syrische vertaling, zij het op een andere plaats. Ook in 1 Kronieken 6:63-64 worden de steden genoemd.
Met behulp van het aanbod van met name de Septuaginta en 1 Kronieken 6:63-64 is ten behoeve van het Bijbelvertaalwerk een ‘nieuwe’ Hebreeuwse tekst gereconstrueerd voor Jozua 21:36-37.31 De vertaling daarvan in de Traduction Oecuménique de la Bible luidt:
Au-delà du Jourdain de Jéricho, sur la tribu de Ruben: Bècèr, la ville de refuge pour le meurtrier, dans le désert du plateau, ainsi que ses communaux, Yahça et ses communaux, Qedémoth et ses communaux, Méfaath et ses communaux: soit quatre villes.
De Statenvertalers hebben het ontbrekende deel op een andere manier hersteld met:
Ende van de stamme Ruben, Bezer, ende hare voorsteden: ende Iaza, ende hare voorsteden. Kedemoth ende hare voorsteden, ende Mephaath, ende hare voorsteden: vier steden.
Zij hebben zich daarvoor kunnen beroepen op de Hebreeuwse tekst in de Biblia Regia, die overeenkomt met de lezing van de Vulgata. Welke reconstructie de voorkeur verdient, is nu niet de vraag. Belangrijk is de constatering dat de Statenvertalers niet de voorkeur gaven aan de lezing in de Septuaginta. Ze kozen voor een beknoptere reconstructie van de tekst in de Biblia Regia. Die paste ook beter bij het strikt opsommende karakter van de lijst met namen in Jozua 21:34-35.
2 Kronieken 33:19
Er zijn echter ook gevallen waarin de Statenvertalers juist wel lezingen in de Septuaginta verkozen en het tekstaanbod van Buxtorfs rabbijnenbijbel negeerden. In 2 Kronieken 33:19 staat dat belangrijke momenten uit het leven van koning Manasse beschreven zijn in de דִּבְרֵי חוֹזָי, ‘de woorden van Chozai’. In plaats daarvan leest de Septuaginta ἐπὶ τῶν λόγων τῶν ὁρώντων, ‘in de woorden van de zieners’. Net zoals in de King James Version en de Deux-Aesbijbel wordt de versie van de Septuaginta ook in de Statenvertaling gevolgd. In een tekstkritische kanttekening bij ‘woorden der Sienders’ in vers 19 wordt als alternatief wel de vertaling van de Hebreeuwse tekst aangeboden:
D. der Propheten, als bov. 18. so dat hier Hosai soude zijn voor Hosim. De Propheten hebben dan meest de historien, ende memorien, der dingen, die geschiedden, gestelt, ende uytgegeven, op datse der gemeynte tot vermaningen, ende waerschouwingen mochten dienen: and. in de geschiedenissen van Hosai, houdende dit woort den naem geweest te zijn eenes Propheets, van den welcken men nieuwers meer en leest.
De laatste, alternatieve lezing zou een exacte weergave van het Hebreeuws zijn geweest, maar de Statenvertalers gingen mee met de Septuaginta.
Hosea 14:1
Een ander voorbeeld van een vertaling waarin de Statenvertaling de Septuaginta volgt en niet de Hebreeuwse tekst, is te vinden in Hosea 14:1: ‘Samaria sal woest worden; want sy is wederspannich geweest tegen haren Godt.’
De eerste woorden van het vers luiden in de Septuaginta: ἀφανισθήσεται Σαμάρεια, ‘Samaria zal verwoest worden.’ Het gebruikte Hebreeuwse werkwoord is אָשַׁם. In Hosea 13:1 hebben de Statenvertalers dat woord vertaald met ‘schuldig worden’, overeenkomstig de betekenis van het Hebreeuws. Die betekenis zou ook in Hosea 14:1 goed hebben gepast, maar de Statenvertalers gaven met de King James Version de voorkeur aan de weergave van de Septuaginta. In de Herziene Statenvertaling (2010) is die keuze verbeterd: ‘Samaria zal schuldig staan, omdat het ongehoorzaam geweest is aan zijn God.’
Jeremia 50:11
Ook de vertaling van Jeremia 50:11 laat zien dat de Statenvertalers in sommige gevallen de interpretatie van de Septuaginta aantrekkelijk vonden. Hun vertaling van Jeremia 50:11 luidt: ‘Om dat ghy u verblijdt hebt, om dat ghy van vreuchde hebt opgesprongen, ghy plunderaers mijner erffenisse: om dat ghy geyl geworden zijt als een grasige veerse, [ende] hebt gebriescht als de stercke [peerden].’ Uit de kanttekening bij ‘als een grasige veerse’ spreekt twijfel over de gekozen vertaaloplossing: ‘Ofte (…) als eene jonge veerse, die in jonck teder gras gaet weyden.’
De vertaling en de toelichting worden begrijpelijk als men kennis neemt van de weergave van deze tekst in Jeremia 50:11 in de Septuaginta: διότι ἐσκιρτᾶτε ὡς βοΐδια ἐν βοτάνῃ, ‘omdat jullie huppelden als jonge koeien in de wei’. Die interpretatie is ook te vinden in de vertaling van Piscator en in de King James Version.
Maar er is wel een kanttekening bij te plaatsen. De Hebreeuwse woorden כְּעֶגְלָה דָשָׁה zijn volgens het Lexicon Hebraicum et Chaldaicum van Buxtorf op twee manieren te interpreteren: a) sicut vitula herbilis, ‘als een graskalf’, en b) sicut vitula triturans, ‘als een dorsend kalf’. Om de eerste betekenis te verkrijgen moet volgens Buxtorf een detail in de Hebreeuwse tekst gewijzigd worden: lees דָשָׁה als דָשָׁא (‘groen zijn’) of דֶשֶׁא (‘gras, vegetatie’). Voor de tweede betekenis moet דָשָׁה afgeleid worden van het werkwoord דושׁ, ‘dorsen’, en kan de tekst intact blijven. De Statenvertalers sloten niettemin aan bij de meerderheid van de vertalers en uitleggers van hun tijd en kozen in het spoor van de Septuaginta voor de eerste betekenis.
Tot slot
De Statenvertalers gebruikten verschillende Hebreeuwse tekstuitgaven die in de vijftiende, zestiende en zeventiende eeuw met de nodige zorg en deskundigheid tot stand waren gekomen. Voor het onderzoek naar de werkwijze van de Statenvertalers is het van groot belang geweest dat Verdegaal heeft achterhaald over welke Bijbeluitgaven en andere wetenschappelijke vertaalinstrumenten de vertalers konden beschikken. Daardoor wordt het mogelijk preciezer vast te stellen welke tekstkeuzes de Statenvertalers hebben gemaakt.
Al is voor deze bijdrage een beperkt aantal teksten onderzocht, duidelijk is in elk geval dat de Statenvertalers zich voortdurend hebben afgevraagd hoe de te vertalen tekst moest luiden. Zij volgden daarbij niet alleen hun eigen inzichten, maar ook het werk van vele voorgangers. Het gaat te ver om te concluderen dat zij wel eens klakkeloos vertaald hebben overeenkomstig de Vulgata, Luther, Piscator of de Deux-Aesbijbel.32 Zij brachten hun eigen deskundigheid in, zij maakten wetenschappelijk weloverwogen afwegingen. De invloed van bijvoorbeeld de King James Version, de Geneefse vertaling, de Duitse vertaling en de aantekeningen van Piscator, van de Latijnse vertalingen van Hieronymus, Sanctes Pagninus en Tremmelius, van de Septuaginta en de Targoem is op elke pagina van de Statenbijbel merkbaar, en dat is de bewuste keuze geweest van de Statenvertalers. In de kanttekeningen lichtten de Statenvertalers hun beslissingen ten aanzien van de brontekst toe, en boden zij op vele plaatsen alternatieve lezingen aan. De Statenvertalers wisten heel goed wat zij deden.
Dr. J. van Dorp is als oudtestamenticus verbonden aan het Nederlands Bijbelgenootschap.
Bronvermelding
Jaap van Dorp, ‘Het kritisch gebruik van de Hebreeuwse Bijbels in de Statenvertaling 1637’ in: Met Andere Woorden 35/3-4 (november 2016), 50-64.
Wilhelmus Baudartius, Wech-bereyder op de verbeteringhe van den Nederlantschen Bybel, Arnhem 1606.
Dominique Barthélemy, Critique Textuelle de l’Ancien Testament 1. Josué, Juges, Ruth, Samuel, Rois, Chroniques, Esdras, Néhémie, Esther, Orbis Biblicus et Orientalis 50/1, Göttingen 1982.
Biblia Sacra Hebraice, Chaldaice, Graece & Latine Philippi II Reg. Cathol. pietate, et studio ad sacrosanctae ecclesiae usum Christoph. Plantinus excud. Antverpiae (1568-1572).
C.C. de Bruin, De StatenBijbel en zijn voorgangers. Nederlandse vertalingen vanaf de Reformatie tot 1637 (bewerkt door dr. F.G.M. Broeyer), Haarlem/Brussel 1993.
Michael V. Fox, Proverbs 1-9. A New Translation with Introduction and Commentary, The Anchor Bible, New Haven/Londen 2006.
Wim François, ‘De doopsgezinde BiestkensBijbel (1560) en de gereformeerde Deux-AesBijbel (1562). Bijbelvertalingen voor de protestanten’ in: Gillaerts e.a. (red.), De Bijbel in de Lage Landen. Elf eeuwen van vertalen, Heerenveen 2015, 304-341.
Christian D. Ginsburg, Introduction to the Massoretico-Critical Edition of the Hebrew Bible, Londen 1897.
Joh. de Groot, ‘De Statenvertaling van het Oude Testament als wetenschappelijk werk’ in: De Statenvertaling 1637-1937, Haarlem 1937, 93-103.
A.R. Hulst, Old Testament Translation Problems, Helps for Translators Prepared under the Auspices of the United Bible Societies volume I, Leiden 1960.
P. Joüon & T. Muraoka, A Grammar of Biblical Hebrew, Subsidia Biblica 27, Rome 2006.
Sandra Langereis, De woordenaar Christoffel Plantijn, ’s werelds grootste drukker en uitgever 1520-1589, Amsterdam 2014.
Dirk van Miert, ‘De Statenvertaling (1637)’ in: Paul Gillaerts e.a. (red.), De Bijbel in de Lage Landen. Elf eeuwen van vertalen, Heerenveen 2015, 406-444.
C. Rabin, S. Talmon & E. Tov, The Book of Jeremiah, The Hebrew University Bible, Jerusalem 1997.
Donald Sinnema, Christian Moser & Herman J. Selderhuis (red.), Acta et Documenta Synodi Nationalis Dordrechtanae (1618-1619). Dl. 1, Acta of the Synod of Dordt, Göttingen 2015.
Emanuel Tov, Textual Criticism of the Hebrew Bible, Minneapolis, 2012 (derde herziene en vermeerderde druk).
E.W. Tuinstra, Spreuken I, De Prediking van het Oude Testament, Baarn 1996.
C.M.L. Verdegaal, De statenBijbel en de rabbijnen. Een onderzoek naar de betekenis van de rabbijnse traditie voor de vertaling van het boek Job, Tilburg 1998.
Bruce K. Waltke, The Book of Proverbs Chapters 1-15, The New International Commentary on the Old Testament, Grand Rapids/Cambridge 2004.
Godt klaegt over Israëls ondanckbaerheyt, afgoderye, (insonderheyt met de goudene kalveren) meyneedicheyt, godtloosheyt, verkeertheyt, ende ydel vertrouwen op hare practijcken ende helden: alles tegen sijne getrouwe vermaningen: Dies hy haer voorseyt, de vernielinge alles afgodischen gereetschaps, wech-voeringe der goudene kalveren, tot harer schande ende schaemte, mitsgaders den onderganck haers Conincks, ende weeldigen staets, met d’uyterste benaeutheyt ende troosteloosheyt in alle dese nakende elenden, die haer van vyantlicke volckeren, door sijn rechtveerdich oordeel, souden overkomen.
1ISraël
Hosea 10:1
Ofte, was. T.w. door de schattinge des Conincks Menahem, die duysent talenten silvers van sijne onderdanen genomen heeft voor den Coninck van Assyrien, Pul. siet 2.Reg. 35.19, 20. waer op sommige dit duyden. Vgel. boven 7.9. andere verstaen’t van de onsinnige verquistinge harer middelen in allerleye afgoderye (waer van in’t volgende) ende setten’t aldus over, (meenende de eygenschap der hebreeusche woorden wat naeder te komen.) Israël is een wijnstock, uytledigende de vrucht [die] hy voor sich brengt, ofte wechleyt. D. die sich selven door sijne Afgoderye berooft van’t gene hy door mijnen segen ontfangt. ofte, naeder aldus: Israël ledicht den wijnstock uyt, hy leyt de vrucht voor sich wech. T.w. tot Afgodisch gebruyck.
is een uytgeledichde wijnstock;
Hosea 10:1
D. hy begint weder te bekomen, door mijnen segen, dien hy nochtans schandelick misbruyckt. And. hy maeckt de vrucht hem selven gelijck, de vrucht is gelijck de boom, gelijck hy van anderen wort berooft ende uytgeput, alsoo put hy sich selven oock uyt van sijne eygene middelen.
hy brengt [weder] vrucht voor sich: [maer] nae de veelheyt sijner vrucht heeft hy de
D. vruchtbaerheyt, goede inkomste, die ick haer genadichlick verleene.
goetheyt sijns lants, hebben sy de opgerichte beelden
Hosea 10:1
D. schoon ende kostelick: hoe ickse meer segene, hoe sy derteler ende weeldiger worden in afgoderye, daer aen sy haer vermogen te kost leggen. Vgel. boven 2.8. ende 4.7.
goet gemaeckt.
2
Hosea 10:2
Namelick Godt, van welcken in’t volgende klaerlick gesproken wort. dit schijnt het eenvoudichste te wesen.
Hy heeft haer herte
Hosea 10:2
Door den Geest des twists ende tweedrachts, waer door sy malkanderen vernielen. siet boven 7.7. ende vgel. Iudic. 9.23. ende d’aenteeck. aldaer.
verdeylt, nu sullen sy
Hosea 10:2
Dit wort in’t volgende verclaert: And. schuldich bevonden worden.
verwoest worden: hy sal hare altaren
Hosea 10:2
Gelijckmen eenen misdadigen den necke doorhouwt, ofte onthalst.
doorhouwen, hy sal hare opgerichte beelden verstooren.
3Want
Hosea 10:3
D. al haest, binnen korten tijt (als in’t voorgaende vs, ende bov. 2.10. ende 4.16. ende 8.10, 13. Ies. 49.19. Ier. 14.10. Amos 6.7. Mich. 4.10. ende 7.10.) als haer haer lant, Coninckrijck, ende Coninck verwoest sullen zijn, dan sullen sy, gevoelende de waerheyt van Godts dreygementen, ende overtuycht zijnde van hare moetwillige boosheyt, haerselven moeten veroordeelen. Vgel. ond. 13.10.
geenen Coninck: want wy en hebben den HEERE niet gevreest; wat soud’ ons dan een Coninck
Hosea 10:3
Al hebben wy eenen Coninck, wat hulpe ofte voordeel souden wy van hem konnen verwachten, daer Godt onse tegenpartye geworden is? sy willen seggen, niet met allen.
doen?
4Sy hebben
Hosea 10:4
Dit kanmen verstaen van hooge, bittere ende trotze woorden des eenen tegen den anderen in haer onderlinge conspiratien ofte, tegen Godt ende sijne Propheten. (Vgel. bov. 7.16. ende d’aenteeck. item Mal. 3.13.) ofte, van hare menigerley t’samensprekingen ende beraetslagingen (gelijck woorden oock voor raetslagen genomen wort. Siet 1.Reg. 1.7. Ezec. 38.10. met d’aent.) tot stijvinge harer afgoderye ende hares staets tegen Godt, door handelingen met heydensche Coningen, ende verbonden, die sy lichtelick met hooge woorden beswoeren, ende weder lichtelick braken, waer op de volgende woorden sien.
woorden gesproken,
Hosea 10:4
Gelijck sy sonder twijfel gedaen hebben, als sy haer aen den Coninck van Assyrien verbonden, ende korts weder van hem afvielen tot den Coninck van Egypten. 2.Reg. 17.3, 4. And. ydelick, ofte, te vergeefs vloeckende, haer selven versweerende, als godtloose menschen plegen te doen. Siet boven 4.2.
valschlick sweerende [in ’t] verbont maken: daerom sal het
Hosea 10:4
D. hare straffe, mijn oordeel over haer. Siet Ierem. 48. op v 21. ende boven 6.5.
oordeel als een
Hosea 10:4
Siet Psal. 60. op v 22.
vergiftich kruyt
Hosea 10:4
De straffen sullen soo overvloedich komen ende toenemen, als een boos onkruyt wast in ’t velt.
groenen, op de voren der velden.
5De
Hosea 10:5
Hebr. d’inwoonder sullen verschrickt worden over, ofte, vreesen voor, etc. D. elck een der Samaritaensche inwoonderen sal verbaest ende ontset zijn.
inwoonders van Samaria sullen verschrickt zijn over het
Hosea 10:5
Verst. het gouden kalf van Bethel: Hebr. kalveren, ofte, veers kalveren. D. dat groote kalf, gelijck Behemoth, beesten. D. een groot beest, als een Elephant, etc. want in’t volgende wort van dit kalf gesproken in’t getal van eenen, ende het welcke op’t kostelicxste moet gemaeckt ende verciert zijn geweest, om datser soo seer over verschrickt ende bedroeft zijn geweest, ende dat het tot een geschenck voor den Coninck van Assyrien is wechgevoert. anders soude dit kalf door verachtinge veers-kalveren, konnen genoemt zijn, ofte, om datser meer als een mogen gemaeckt hebben, het een van tijt tot tijt kostelicker ende schooner alst ander, uyt v 1.
kalf van
Hosea 10:5
D. Bethel, als onder v 15. siet bov. 4. op v 15.
Beth-Aven: want
Hosea 10:5
Het volck des kalfs. D. dat het kalf als eenen Godt eerde ende aenhinck. Vgel. Ierem. Hos. 48.7. ende 49.3.
sijn volck
Hosea 10:5
Hebr. heeft getreurt, ofte, treurt. D. sal treuren, uyt het voorgaende ende volgende.
sal over het selve treuren, mitsgaders sijne
Hosea 10:5
Verstaet des kalfs afgodische Papen ofte Priesters: van dese Chemarim, siet 2.Reg. 23. op v 5.
Chemarim, ([die] sich over het selve verheuchden,) over sijne heerlickheyt, om
Hosea 10:5
Om dat sijne (des kalfs) heerlickheyt van hem wech-gevaren is, ofte, sy treuren over sijne (des kalfs) heerlickheyt, om dat het [kalf] is wech-gevaren in gevanckenisse, als volcht. Vgel. Ierem. Hos. 48.7.
datse van het selve is wechgevaren.
6Ia
Hosea 10:6
T.w. kalf.
dat selve sal nae Assur gevoert worden, [tot] een geschenck voor den Coninck
Hosea 10:6
Siet boven 5. op v 13.
Iareb: Ephraim sal schaemte behalen, ende Israël sal beschaemt worden van wegen sijnen
Hosea 10:6
Dat hy sich met Egypten heeft meenen te stercken tegen den Assyrier, ofte, in’t gemeen, van wegen alle sijne boose afgodische vonden ende vleeschelicke practijcken, waer door hy sich meende als tegen Godts danck (om alsoo te spreken) op de beenen te houden, ende in’t bysonder, den raet Ierobeams van de twee kalveren, welcke Afgoderye hy tot bevestinge sijns staets gepractizeert hadde, 1.Reg. 12.27, 28, 29. ende 2.Reg. 17.21.
raetslach.
7De Coninck van
Hosea 10:7
Ofte, aengaende Samaria, haer Coninck is afgehouwen, afgesneden, uytgeroeyt, ofte, vergaen. D. sal sekerlick uytgeroeyt worden. Siet 2.Reg. 17.4. ende onder v 15.
Samarien is afgehouwen, als
Hosea 10:7
Dat in’t bruysen ende sieden der wateren sich op doet ende verheft, als of het yets ware, zijnde doch nietich ende haest verdwijnende: alsoo sal de Coninck met al sijn pracht ende hoochmoet vergaen, ende seer vyl ende verachtelijck in gevanckenisse worden wech-gesteken, als of hy voor de oogen sijns volcks, gelijck een schuym, verdweenen was,, ende met eenen, het vertrouwen, dat Samaria op haren Coninck hadde.
schuym op ’t water.
8Ende de hoochten van
Hosea 10:8
Dat is Beth-aven, boven v 5. D. Bethel.
Aven, Israëls
Hosea 10:8
Dat is, welcke hoochten de voorneemste materie, item eene aenleydinge ofte aenritzinge zijn van Israels grouwelicke afgoderye ende allerley andere sonden, die sy aldaer in hare Tempelen, by hare altaren, item onder alle de groene boomen, ende in bosschen, bedrijven. Vgel. Deut. 9.21. Iesa. 27.9. ende siet boven 4.13. Lev. 26.30. Ezech. Hos. 6.13. ende 20.29. met d’aenteeck.
sonde, sullen verdelgt worden:
Hosea 10:8
Vergel. boven 9.6.
doornen en distelen sullen op haerlieder altaren opkomen: ende
Woorden van wanhopende menschen, die van wegen het gevoel ende den schrick der tegenwoordige ende toekomende oordeelen Godts, mitsgaders het oordeel harer eygener conscientien, verbaest ende troosteloos zijnde, niet anders en wenschen, als maer al evenveel hoe, doot, ofte uyt den wege te zijn, hoewel te vergeefs. Vergel. Luc. 23.30. Apoc. 6.16. item Iesa. 2.19.
Bedeckt ons, ende tot de heuvelen, Valt op ons.
9
Hosea 10:9
Ofte, meer dan [in] de dagen van Gibea. Siet boven 9.9. met d’aenteeck.
Gibea, hebt ghy gesondicht, ô Israël: daer zijn sy
Hosea 10:9
Ofte slechtelick, daer hebben sy gestaen. men kan dit verstaen vande schrickelicke hartneckicheyt der Gibeoniten, ende andere van Benjamins stam, die in hare godtloosheyt onbeschaemt bleven staen, ende stelden haer in bataille als mannen (soo sy meynden) tegen hare broederen, maer wierden ten laetsten bykans t’eenemael uytgeroeyt: ofte men kan’t alsoo nemen (t’welck Israel in’t gemeen aengaet, ende met de volgende woorden eenvoudichst schijnt over een te komen) dat sy te dier tijdt door Godts genade noch over eynde zijn gebleven. ende niet gantsch uytgeroeyt, hoewelse van beyden zijden in perijckel waren van door malkanderen geheelick vernielt te worden.
staende gebleven; de strijt te Gibea, tegen de
Hosea 10:9
Siet 2.Sam. 3. op v 35. ende verstaet, de Gibeoniten met alle andere Benjaminiten.
kinderen der verkeertheyt, en salse
Hosea 10:9
D. sy en sullent nu soo goet niet hebben, hare straffe sal nu veel swaerder vallen, sy en sullen nu niet blijven staen, gelijck te dier tijt.
niet aengrijpen.
10
Hosea 10:10
D. ick hebbe’t besloten, ende hebbe lust ofte begeerte dat ick het uytvoere, ende sal’t oock doen. Vgel. Deut. 28.63. Iesa. 1.24. ende siet eene gelijcke maniere van spreken, Iob 10.7.
’T is in mijnen lust, dat ickse sal
Hosea 10:10
Als of de Heere seyde: dewijle sy haer onder mijn jock niet willen buygen, noch aen mijne wetten gebonden, noch van my gedwongen zijn tot haren besten, so sal ickse nu door vreemde volcken, als misdadige ter straffe, ofte als ossen, tsamen binden, ende onder een vreemt jock brengen. Siet wijders op’t volgende v And. tuchtigen.
binden: ende volcken sullen tegen haerlieden versamelt worden,
Hosea 10:10
Ofte, alsmense binden sal, ofte, met, mits, haer te binden, ofte, haer bindende, Dat is, dese volcken sullen haer binden, door mijn rechtveerdich oordeel.
als ickse binden sal in haer twee
Hosea 10:10
Gelijck Ephraim ende Iuda sich t’samen gekoppelt hebben als een paer ossen, gaende neffens malkanderen onder haer eygen jock in gelijcke voren der afgoderye ende andere sonden, so sal ickse oock door hare vyanden ’t same koppelen ter straffe, om onder een ander jock te gaen ploegen, etc. And. in hare beyde wooningen, T.w. Ephraims ende Iuda. ofte, om hare twee ongerechticheden, siende op de kalveren van Dan ende Bethel.
voren.
11Dewijle Ephraim een
Hosea 10:11
D. gelijck eene jonge, dertele, weeldige koe, die liever het koorn treedt (gelijck in’t dorschen gebruycklick was. Siet Deut. 25. op v 4.) ende daer van eet, dan datse onder het jock soude gaen ploegen ende hygen: alsoo (wil Godt seggen) is Ephraim genegen om in weelde te leven nae sijnen eygenen lust ende appetijt, maer niet onder mijn bedwanck.
veerse is,
Hosea 10:11
Hebr. geleert (Siet Ierem. 2. op v 24.) liefhebbende te dorschen. Siet eene gelijcke t’samenvoeginge van twee woorden, boven 9.9. And. aldus: So Ephraim een veerse gewennet ware geweest my lief hebbende, om te dorschen, doe ick neffens sijnen schoonen hals ginck, so soude ick Ephraim hebben doen rijden, etc. siet het eynde van de volgende aenteeck.
gewennet geerne te dorschen, so ben ick over de
Hosea 10:11
D. sijnen (des kalfs) schoonen, vetten, gladden hals. Hebr. goetheyt. D. ick sal hem onder ’tjock brengen, dat hem die vetticheyt ende schoonheyt van den hals wel vergaen sal gelijck den ploegenden ossen. andere nemen’t alsoo, dat Godt Ephraims schoonen hals eenen langen tijt hebbe als voorby gegaen, overgesien ende verschoont, maer dat hy nu aen hem sal doen, als volcht. sommige nemen oock wijders het volgende: ick hebbe Ephraim doen rijden, Iuda ploegen, Iacob eggen, etc. als of Godt hier verhaelde sijne weldaden aen hem bewesen.
schoonheyt van haren hals overgegaen: Ick sal Ephraim
Hosea 10:11
D. ick salse altemael straffen, genoech bedwingen ende betemmen, maer Ephraim sal’t quaetst hebben, Iuda ende de reste des volcks oock quaet genoech, maer dragelicker als de 10 stammen, gelijck voor de beesten ploegen ende eggen (Dat is, de kluyten breken) wel lastich is, maer daerenboven den acker-man op den rugge te hebben, ofte van eenen straffen ruyter bereden te worden veel harder is.
berijden, Iuda sal ploegen, Iacob sal
Hosea 10:11
D. soo veel als slechtelick, eggen, zijnde het woordeken, hem, ofte, voor hem, ofte sich, als een overtollich byvoechsel nae’t gebruyck der Hebreeuscher tale, gelijck oock dickwijls in d’onse. And. hem. T.w. Iuda, verstaende dat Ephraim, als de machtichste, Iuda nu ende dan overmeestert ende bedwongen hebbe. Siet 2.Reg. 14.13. 2.Chron. 28.6. ende boven 6.11. met d’aenteeck. ofte, (als sommige) Iacob (D. Israel ofte Ephraim) sal hem (Iuda) de kluyten moeten breken.
voor hem eggen.
12
Hosea 10:12
Verstaet hier op: dit ist, dat ick u steets door mijne Propheten hebbe laten voordragen: Vergel. 2.Reg. 17.13. Aengaende de manieren van spreken, van zaeyen ende maeyen, vgel. boven 8.7. ende siet Iob 4. op v 8. de sin is, trachtet nae ware bekeeringe, nae een oprecht geloove, ende ongeveynsde liefde, op dat het u nae ziele ende lichaem wel gae.
braket u een braeck-lant: dewijle het tijt is den HEERE te soecken, tot dat hy kome, ende over u de
Hosea 10:12
D. de vrucht der gerechticheyt: u overvloedichlick begenadigende met sijnen tijtlicken ende eeuwigen verbonts-segen, dien hy belooft heeft den genen, die in geloove ende liefde wandelen. Vgel. Psal. 24.5. Ezech. Apoc. 18.20. ende d’aenteeck aldaer. Ten ware datmen dit simpelick mochte duyden op den genaden-tijt des Messie, die onse gerechticheyt is voor Godt. Vgel. Ierem. Apoc. 23.6. Dan. 9.24, etc. ende bov. 2.18.
gerechticheyt
Hosea 10:12
And. leere. Vgel. Ioël 2.23.
regene.
13
Hosea 10:13
De Heere wil seggen, dat alle sijne vermaningen ende bevelen, van haer veracht zijn, ende dat sy regelrecht daer tegen zijn aengegaen.
Ghy hebt godtloosheyt geploecht,
Hosea 10:13
Het Hebr. woort, dat verkeertheyt, ofte, onrechtveerdicheyt, schalckheyt, ondeucht beteeckent, heeft hier een letter meer als ordinaris, dat hier van sommige met het woordeken, enckel, wort uytgedruckt, vgel. Psal. 3. op v 3. men kan hier door verstaen, de straffe der verkeertheyt, als ongerechticheyt, voor straffe der ongerechticheyt. Lev. 5.1. Psal. 31.11. sonde voor straffe der sonde. Zach. 14.19, etc. ofte door het maeyen hier ende in’t voorgaende vs verstaen, den aenwas, het vervolch ofte de continuatie ende stadigen voortganck in’t quaet ende goet.
verkeertheyt gemaeyet, [ende] de
Hosea 10:13
Dewijle ghy met leugens hebt omgegaen, ende u daer op verlaten, so ontfanckt ghy daer van de rechtveerdige straffe ende belooninge, als een vrucht uwer wercken, der Afgoderye ende heydensche verbonden: ofte, ghy etet leugenvrucht. D. ghy komt bedrogen uyt, ghy bekomt niet dat ghy verwacht hebt, uwen arbeyt ofte vertrouwen liecht u. Vgel. bov. 9.2.
vrucht des leugens gegeten: want ghy hebt vertrouwt op uwen
Hosea 10:13
Dien ghy in gegaen zijt om u rijck te bevestigen, T.w. Afgoderye, met allerleye godtloosheyt, ende vleeschlick vertrouwen op u selfs ende de verbonden met uwe boelen.
wech, op de veelheyt uwer helden.
14Daerom salder een groot
Hosea 10:14
Ofte, rumoer, oproer, gekraeck, groot geroep, als in tijde van grooten overval des vyants plach te geschieden.
gedruys ontstaen onder uwe
Hosea 10:14
Der 10 stammen.
volcken, ende alle uwe vestingen
Hosea 10:14
Hebr. sal verstoort worden, D. elck in’t bysonder.
sullen verstoort worden, gelijck
Hosea 10:14
And. genoemt Salmaneser, ofte Salmanasser, die wreede ende trotze tyran van Assyrien. siet 2.Reg. 17.3, etc. ende 18.9, 34, 35. ende 19.11, 12, 13.
Salman
Hosea 10:14
’Tis onseker waer dese plaetse zy gelegen geweest. Sommige houden’t voor eene stadt in Israel over de Iordane. Ioseph. lib. antiq. 12. cap. 18. ende lib. 14. cap. 32. maeckt mentie van eene stadt Arbela gelegen in Galileen, die mede schijnt vermelt te zijn. 1.Mach. 9.2. andere voor een lantschap in Assyrien, hebbende den naem van de stadt Arbela, daer ontrent Alexander de Groote, den Persischen Coninck Darium overwon, ende de Persische Monarchie eyndichde. dese historie van Salman ende Betharbel is te dier tijt sonder twijfel onder den volcke seer bekent geweest.
Beth-Arbel verstoorde ten dage des
Hosea 10:14
Indien tocht, waer van kortelick gesproken wort 2.Reg. 17.3, 4. etc. ende 19.13. als eenige meynen.
krijchs: De
Hosea 10:14
Siet Gen. 32. op v 11.
moeder wertter verplettert met de sonen.
15Alsoo heeft
Hosea 10:15
D. alle die grouwelicke afgoderye met andere sonden, te Bethel ofte Beth-aven (als bov. v. 5. ofte Aven. v. 8.) bedreven, zijn d’oorsake van dese uwe plagen.
Beth-El ulieden gedaen, van wegen de
Hosea 10:15
D. om dat uwe boosheyt soo veelvoudich ende schricklick groot is.
boosheyt uwer boosheyt: Israëls
Hosea 10:15
Op welcken sy vertrouwen. Siet bov. v. 7. ende d’aenteeck.
Coninck is in den
Hosea 10:15
D. vroech, ofte, haestelick, gelijck de dageraet ofte morgen-roode met het rijsen vande Sonne vergaet, ofte onvoorsiens, gelijck wanneer yemant in den morgenstont overvallen wort: dit kanmen oock vergelijcken met Ezech. 7.7, 10. Siet d’aenteeck. aldaer.
dageraet
Hosea 10:15
Hebr. uytgeroeyt, ofte, afgehouwen, afgesneden wordende, is hy uytgeroeyt, etc. D. sal sekerlick, etc.
t’eenemael uytgeroeyt.
Hernieuwde aankondiging van straffen
1Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weer vrucht voor zich; maar naar de veelheid van zijn vrucht heeft hij de
geen koning; want wij hebben de Heere niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?
4Zij hebben woorden gesproken, vals zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groenen, op de voren der velden.
5De inwoners van Samaria zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal daarover treuren, alsook zijn Chemárim
Hosea 10:5
afgodspriesters
(die zich daarover verheugden), over zijn heerlijkheid, omdat zij ervan is weggevaren.
6Ja, dat zal naar Assur gevoerd worden, tot een geschenk voor de koning Jareb; Efraïm zal schaamte behalen, en Israël zal beschaamd worden vanwege zijn raadslag.
7De koning van Samaria is afgehouwen, als schuim op het water.
8En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distels zullen op hun altaren opkomen; en
Gíbea, hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gíbea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.
10Het is in Mijn lust, dat Ik ze zal binden; en volken zullen tegen hen verzameld worden, als Ik ze binden zal in hun twee voren.
11Omdat Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen.
12Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid;
braakt u een braakland; omdat het tijd is de Heere te zoeken, totdat Hij komt, en over u de gerechtigheid regent.
13Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid, en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uw weg, op de veelheid van uw helden.
14Daarom zal er een groot gedruis ontstaan onder uw volken, en al uw vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage van de krijg; de moeder werd er verpletterd met de zonen.
15Alzo heeft Beth-El u gedaan, vanwege de boosheid van uw boosheid; Israëls koning is in de dageraad ten enenmale uitgeroeid.