Eene prophetie van de verstooringe der Stadt Ierusalem, ende des Ioodschen volcks, v. 1. van wegen hare groote ondanckbaerheyt tegen Christum , die haer als een goet Herder geweydet hadde, 4. maer sy hebben hem voor dertich silverlingen vercocht, 12. daerom soude haer de Heere godtloose leytslieden geven, tot haren verderve, 15.
1 DOet uwe
deuren op,
ô Libanon,
op dat het vyer
uwe cederen verteere:
2 Huylet
ghy dennen, dewijle
de cederen gevallen zijn, dewijle die heerlicke
[boomen] verwoestet zijn: huylet
ghy eycken Basans, dewijle
het stercke wout
neder-gevallen is.
3
Daer is een stemme des gehuyls der herderen, dewijle
hare heerlickheyt verwoestet is: een stemme des gebruls
der jonge Leeuwen, dewijle
de hoochmoet
der Iordane verwoestet is.
4 Alsoo seyt de HEERE mijn Godt,
Weydet
dese slacht-schapen:
5 Welcker
besitters haer
dooden, ende
en houden ’t voor geen schult: ende
een yeder der gener, diese vercoopen, seyt,
Gelooft zy de HEERE, dat ick rijck geworden ben: ende
niemant van de gene diese weyden, verschoontse.
6 Sekerlick ick en sal niet meer
de inwoonderen deses lants verschoonen, spreeckt de HEERE: maer siet,
ick sal
de menschen overleveren,
elck een in de hant sijnes naesten,
ende in de hant sijnes Conincks, ende
sy sullen dit lant
te morsel slaen, ende ick en
salse uyt hare hant niet verlossen.
7
Dies hebbe ick
dese slacht-schapen geweydet,
dewijle sy elendige schapen zijn: ende ick hebbe my genomen twee stocken, den eenen hebbe ick genoemt
LIEFLICKHEYT, ende den anderen hebbe ick genoemt,
T’ SAMEN-BINDERS; ende ick hebbe
die schapen geweydet.
8 Ende ick hebbe
drie herders
in eene maent
afgesneden, want
mijne ziele was
over haer
verdrietich geworden, ende
oock hadde hare ziele een walge van my.
9 Ende
ick seyde,
Ick en sal ulieden niet [meer] weyden:
wat sterft dat sterve, ende wat afgesneden is, dat zy afgesneden, ende
dat de overgeblevene d’een des anderen vleesch verslinden.
10 Ende
ick nam mijnen stock
LIEFLICKHEYT, ende
ick verbrack den selven,
te niete doende mijn verbont, ’twelck ick
met alle dese volckeren
gemaeckt hadde.
11 Dus wiert het te dien dage vernieticht, ende alsoo hebben
de elendige onder de schapen, die op my wachteden, bekent,
dat het des HEEREN woort was.
12
Want ick hadde tot haer-lieden geseyt, Indien’t goet is in uwe oogen, brengt mijnen loon, ende so niet, laet het nae: ende
sy hebben
mijnen loon
gewogen dertich silverlingen.
13 Doch de HEERE seyde tot my, Werptse henen
voor den potte-backer,
eenen heerlicken prijs, welcken ick weert geacht ben geweest van haer: ende ick nam die dertich silverlingen, ende wierpse
[in] het huys des HEEREN
voor den potte-backer.
14 Doe verbrack ick mijnen tweeden stock
T’SAMEN-BINDERS,
te niete doende de broederschap tusschen Iuda, ende tusschen Israël.
15 Voorder seyde de HEERE tot my, Neemt u
noch eenes dwasen herders
gereetschap.
16 Want siet, ick sal
eenen herder verwecken in dit lant,
dat gereet is om afgesneden te worden en sal hy niet besoecken,
het jonge en sal hy niet soecken, ende
het verbrokene en sal hy niet heelen; ende
het stil-staende en sal hy
niet dragen: maer het vleesch van
het vette sal hy eten, ende
der selver claeuwen
sal hy verscheuren.
17
Wee den nietigen herder, den verlater der cudde,
het sweert sal
over sijnen arm zijn, ende
over sijn rechter ooge: sijn arm
sal teenemael verdorren, ende sijn rechter ooge
sal teenemael doncker worden.
Straf der onboetvaardigen
1 Doe uw deuren open, o Libanon! opdat het vuur uw cederen vertere.
2 Huilt, gij dennen! omdat de cederen gevallen zijn, omdat die heerlijke bomen verwoest zijn; huilt, gij eiken van Basan! omdat het sterke woud neergevallen is.
3 Er is een stem van het gehuil der herders, omdat hun heerlijkheid verwoest is; een stem van het gebrul der jonge leeuwen, omdat de hoogmoed van de Jordaan verwoest is.
4 Alzo zegt de Heere, mijn God: Weidt deze slachtschapen.
5 Welker bezitters hen doden, en houden het voor geen schuld; en een ieder van hen, die ze verkopen, zegt: Geloofd zij de Heere, dat ik rijk geworden ben; en niemand van hen, die ze weiden, spaart ze.
6 Voorzeker, Ik zal niet meer de inwoners van dit land sparen, spreekt de Heere; maar ziet, Ik zal de mensen overleveren, elk in de hand van zijn naaste, en in de hand van zijn koning, en zij zullen dit land te morzel slaan, en Ik zal ze uit hun hand niet verlossen.
7 Daarom heb ik deze slachtschapen geweid, omdat zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, de een heb ik genoemd LIEFELIJKHEID, en de andere heb ik genoemd SAMENBINDERS; en ik heb die schapen geweid.
8 En ik heb drie herders in een maand afgesneden; want mijn ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hun ziel een walg van mij.
9 En ik zeide: Ik zal u niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, en wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen de een het vlees van de ander verslinden.
10 En ik nam mijn stok LIEFELIJKHEID, en ik verbrak die, te niet doende mijn verbond, dat ik met al deze volken gemaakt had.
11 Dus werd het te dien dage vernietigd, en alzo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het het woord des Heeren was.
12 Want ik had tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, brengt mijn loon, en zo niet, laat het na. En
zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.
13 Doch de Heere zeide tot mij: Werp ze heen voor de pottenbakker: een heerlijke prijs, die ik waard geacht ben geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen, en wierp ze in het huis des Heeren, voor de pottenbakker.
14 Toen verbrak ik mijn tweede stok, SAMENBINDERS, te niet doende de broederschap tussen Juda en tussen Israël.
15 Verder zeide de Heere tot mij: Neem u nog het gereedschap van een dwaze herder.
16 Want ziet, Ik zal een herder verwekken in dit land; dat gereed is om afgesneden te worden, zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokene zal hij niet helen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vlees van het vette zal hij eten, en hun klauwen zal hij verscheuren.
17
Wee de nietige herder, de verlater der kudde! Het zwaard zal over zijn arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten enenmale verdorren, en zijn rechteroog zal ten enenmale donker worden.