De invloed van de Statenvertaling in het buitenland (3)
De invloed van de Statenvertaling in het buitenland (3)
In de voorafgaande tweeartikelen zijn we uitvoerig ingegaan op de vertaling die Theodore Haak in de zeventiende eeuw gemaakt heeft van de kanttekeningen van de Statenvertaling in het Engels. In deze aflevering zal het gaan over de verwerking van de Nederlandse kanttekeningen in Franse en Duitse bijbeledities uit de zeventiende eeuw en achttiende eeuw, en over de Litouwse vertaling van Chylinski, die daarbij de Statenvertaling gebruikt heeft.
1. De Geneefse bijbel
De Geneefse bijbel ontleent zijn naam niet alleen aan de stad Genève, waar hij vele malen werd gedrukt en uitgegeven, maar ook en wellicht vooral aan de theologen en predikanten van Genève die hem steeds weer opnieuw aanpasten aan hun vertaalprincipes en verbeterden naar de Hebreeuwse en Griekse grondtekst. Aan de wieg van de Geneefse bijbel staat Pierre Robert Olivetan, die om reden van zijn kennis van het Hebreeuws en het Grieks door Calvijn verzocht was de bestaande Franse vertaling van Jacques le Fèvre d’Etaples (Antwerpen, 1530) te herzien. Zijn werk van gedeeltelijke correctie en gedeeltelijke (her)vertaling waarbij hij zowel de bijbelse grondtekst gebruikte als de Latijnse vertalingen van Pagninus en Erasmus, verscheen in 1535 bij Pierre de Wingle te Neuchâtel.
De belangrijkste revisies zijn die van 1540, bekend als de bijbel met het zwaard,1 die van 1546, waarin Calvijn zelf de hand had, die van 1560 met zijn bittere aanval op Castellio, en die van 1588, ’tont reueu & conferé sur les textes Hebrieux & Grecs par les Pasteurs & Professeurs de l’Eglise de Geneue’ en sindsdien beschouwd als de standaardtekst van de Geneefse bijbel.
Deze bijbelvertaling werd in gebruik genomen door de Eglises Wallones, die in de 16de eeuw ontstonden in de Franssprekende gebieden van de Zuidelijke Nederlanden op grondslag van de hervorming van Calvijn. Op de vlucht voor de vervolgingen die vanaf 1578 in alle hevigheid tegen hen uitbraken, namen zij deze bijbel mee naar de Noordelijke Nederlanden, waar zij een goed onthaal vonden (Eerste Refuge), en waar zij de Waalse Gemeenten stichtten.2 In de tweede helft van de 17de eeuw profiteerden zij net als andere geloofsgemeenschappen van de gematigde godsdienstvrijheid en de financiële en economische groei en bloei. De belangrijke plaats die de Waalse Gemeenten toen in de Nederlandse samenleving innamen, komt onder andere tot uiting in de prachtuitgave van de Geneefse bijbel van 1669. Het schitterende exemplaar dat zich in de bibliotheek van het NBG bevindt, heeft als titel:
La Sainte Bible qui contient le vieux et le nouveau Testament, Edition nouvelle, faitc sur la Version de Genève, reveuë, & corrigée; Enrichie, outres les anciennes Notes, de toutes celles de la Bible Flamande, de la plus-part de celles de M. Diodati, & de beaucoup d’autres.
Deze editie in groot folioformaat is gedrukt en uitgegeven door Louys & Daniel Elzevier te Amsterdam met de toestemming (privilegie) van Johan de Witt, verleend in 1668. Verantwoordelijk voor het vertalen en aanbrengen van het notenapparaat, de registers en de inleidingen zijn Samuel des Manets en diens zoon Henry. De eerste was hoogleraar aan de universiteit van Groningen, de laatste was bedienaar van het Woord aan de Waalse gemeente te Delft.
De op de omslag afgebeelde frontpagina deze Geneefse bijbel uit 1669 is een zinnebeeldige voorstelling van het Oude en Nieuwe Testament, ontworpen door N. Berchem en uitgevoerd door Matham. Op de diagonaal van linksboven naar rechtsonder houden twee vrouwen, het bovenlijf deels ontkleed, in het midden van het blad een geopende bijbel met sloten vast. De vrouw linksboven staat met haar linkervoet op een wereldbol, de vrouw rechtsonder draagt over haar rechterschouder een kromstaf en aan de vingers van haar linkerhand een sleutelbos. De diagonaal van rechtsboven naar linksonder vertoont twee engeltjes, waarvan het eerste de twee stenen tafelen met de tien geboden vasthoudt en het tweede een opengeslagen evangelieboek. Met de voet van zijn gebogen linkerbeen vertrapt het een doodskop met knekels. Een heldere zon boven In het midden werpt zijn stralen over het ganse tafereel.
Noten van de Statenvertaling
In hun woord vooraf geven zij niet alleen uiting aan hun trots deel te mogen hebben aan de ‘bonheur des Flamandes’ met wie zij het geloof op Calvinistische grondslag gemeen hebben, maar brengen zij ook de wens onder woorden om hun bijbel verrijkt te zien met de ‘Notes savantes et judicieuses’ van de Statenvertaling, die zo’n 30 jaar terug met toestemming van de Heren Staten Generaal het licht zag. Als geboren Fransen met goede kennis niet alleen van het Nederlands (la langue Flamande) maar ook van de bijbelse grondtalen achten zij zich als geen ander geschikt om de tekst van de Nederlandse bijbel met die van de Franse te vergelijken, en de uit het Nederlands vertaalde kanttekeningen op juiste wijze bij de Franse tekst in te passen: ‘placer les Notes dans leur juste assiette’. In negen punten zetten zij hun aanpak en werkwijze uiteen. Voor deze Geneefse editie gebruiken ze als basistekst de Parijse uitgave van 1652 door Pierre des Hayes, omdat ze die tot dan toe als de beste beschouwen.
Bij het opstellen van het notenapparaat hadden ze als hoofddoel alle kanttekeningen van de Statenvertaling op te nemen. Maar tegelijk handhaafden ze de noten van de Geneefse bijbel, drukten ze ook een deel van de aantekeningen van Diodati af, en maakten ze ook nog gebruik van de op- en aanmerkingen van Monsieur de Launay en de kritische bevindingen van Monsieur de Bleyswijck.
Verderop zal blijken dat dit soms tot doublures leidde en dat de lezer niet meer weet of een bepaalde opvatting nu komt van de Statenvertalers, van Diodati of van andere commentatoren. De parallelle plaatsen zijn integraal van de Statenbijbel overgenomen, omdat die het meest exact en uitgewerkt zijn. Door middel van de letters uit het alfabet worden ze zowel in de tekst als in de marge aangegeven. Enkele in de kanttekeningen opgenomen afkortingen zijn: H: l’Hebreu, C: le Caldaïque, S: le Syriaque, G: le Grec, L: le Latin, F: le Flamand, c.: c’est à dire, en ass.: assavoir.
De apocriefe boeken zijn overeenkomstig de ‘Vlaamse’ bijbel met de Waerschouwinge aen de lezers opgenomen achter het Nieuwe Testament. Aangezien kanttekeningen bij die boeken in de Statenvertaling ontbreken, zijn die van Diodati overgenomen. Ook alle inleidingen van de Statenvertaling op het Oude en Nieuwe testament en op elk afzonderlijk bijbelboek (Argument) zijn gehandhaafd, zij het dat ze zijn aangevuld met noodzakelijk geachte toevoegingen. Verder zijn de samenvattingen zoals die boven elk hoofdstuk in de Statenbijbel zijn afgedrukt, integraal behouden.
De afzonderlijke registers op het Oude en het Nieuwe Testament hebben ze niet overgenomen. Met gebruikmaking van die van de Statenvertaling hebben ze één totaalregister samengesteld, dat wat bijbelse personen en onderwerpen betreft zelfs een uitbreiding heeft ondergaan. Met het oog op deze uitgave zijn er vier kaarten beschikbaar. het Paradijs, de Woestijntocht, het Land Kanaan en de Reizen van de Apostelen, en voor wie wil ook nog de plattegrond van Jeruzalem.3 Tot slot maken ze nog enige opmerkingen over de juiste spelling en over de nauwkeurigheid waarmee de drukproeven zijn nagekeken.
Een vergelijking
Zoals ik al eerder zei, hebben ze weliswaar de inleidingen en de kanttekeningen van de Statenvertaling vertaald, maar daaraan door hen noodzakelijk geachte zinnen en woorden toegevoegd. Wat dat precies inhoudt, blijkt al meteen aan het begin van Genesis. De eerste zin van de ‘Inhout deses Boecks’ luidt in de Statenvertaling: ‘Dit eerste Boeck Mosis wordt genaemt met een woort uyt de Griecsche tale genomen, GENESIS, beteeckenende Geboorte, ofte, oorspronck, geslacht‘. De Franse tekst heeft: ‘Ce premier livre de Moyse, écrit, comme les suivans, par une revelation & inspiration particuliere de l’Esprit de Dieu, s’appelle Genese, du mot Grec Genesis, qui sinifie generation, origine, naissance, genealogie‘.
Uit de ingelaste woorden zou men kunnen afleiden dat de auteurs nog calvinistischer of dogmatischer hebben willen zijn dan de vaderen uit Dordrecht, door zo heel uitdrukkelijk de goddelijke inspiratie van de Schriften onder woorden te brengen.
Om een goede indruk te verstrekken van het vertaalwerk van beide mannen volgt hier in 2 kolommen de tekst van Genesis 11 vers 1 en Psalm 2 vers 1, beide met de aan de tekst voorafgaande samenvatting. Zodoende is ook een uitstekende vergelijking mogelijk met wat Haak gedaan heeft.
Statenvertaling + kanttekeningen
Geneefse bijbel 1669
Genesis, Het xj. Capittel. Alle menschen hadden tot deser fijt toe eenerley sprake/ v.t. De kinderen der menschen bestaen eene Stade/ met tenen seer hoogen Toren uyt enckele trotsheyt te bouwen/ 3. Gods belet haer werck door verdeylinge der spraken/ ende verstroytse van malkanderen door de werelt/ 6. Babel bekomt daarvan den name/ 9. Sems nakomelingen tot op Abraham/ 10. die met sijnen vader/ Sarai/ ende Lot/ weckt uyt Ur der Chaldeen nae Haran/ 29.
Genese chap. XI. Tous les hommes jusques à present, n’avoyent eu qu’un méme langage, v.l. Ils se proposent par orgueil de bâtir une ville avec une fort haute tour, 3. Dieu empéche leur dessein par la confusion des langues, & les épard par le monde, 6. Babel tire son nom de là, 9. Les descendans de Sem jusqu’à Abram, 10. Qui avec Taré son pere, Sarai & Lot fils de son frere, sortit d’Ur des Caldéens & vint en Caran, 29.
1 Ende [1]de gantsche aerde was [2]van eenerley [3]sprake/ ende eenerley woorden. [1] Alle inwoonders der aerde/ voor ende na den Suntvloet/ tot dat dese verdeylinge der spraken geschiet is. [2] Het wort daer voor gehouden/ dat dit de Hebreeusche sprake (die haren naam heeft van Heber) geweest zij: onder anderen daerom, dat de eygene namen der eersten menschen van Hebreeuschen oorspronck zijn/ als Adam, Heva, Kain, Habel, &c. [3] Hebr. Lippe, alsoo in ’t volgende.
1 [1]Alors toute la terre estoit [2]d’un langage, & de mesme parole. [1] H.F. & toute la terre, c. tous ses habitans avant & depuis le deluge, jusqu’à la confusion & division qui se fit des langues en Babel. [2] H. d’une levre. Et on tient que ce langage étoit l’Hebreu, (ainsi appellé de Heber) entr’ autres parce que les noms propres des premiers hommes sont d’origine Hebraïque: comme Adam, Eve, Cain, Abel, &c.
Statenvertaling + kanttekeningen
Geneefse bijbel 1669
Psalm ij Prophetye van het Coninckrijck des Messie/ onses Heeren jesu Christi: met een eernstich bevel aen de Coningen ende Regenten der aerde/ datse sich desen Coninck met gehoorsaemheyt sullen onderwerpen.
Pseaume II. Prediction touchant le regne du Messie N.S.J.C. avec une exhortation serieuse aux Rois & aux Gouverneurs du monde, qu’ils ayent à se soûmettre à ce Roi avec obeïssance.
1 [a] Waarom [1]woeden de [2]heydenen/ ende bedenken de volcken [3]ydelheyt? [a] Actor. 4:25 [1] Ofte/ woelen, rasen, rotten, loopen oproerichlick t’samen. Het Hebr. woort kan hebben de beteeckeninge van/ bij een komen, conventiculen houden, ende oock/ woelen, rumoerich, oproerich zijn, als afgenomen wort uyt Psal. 55.15 ende 64.3. Dan.6.7. [2] Ofte/ natien, soo Joden als Heydenen. Siet Act. 4.27. [3] Vergeefsche aenslagen/ waermede sy den raedt Gods niet konnen breken/ ende haer selven in perijckel van verderf brengen.
1. [a]Pourquoi [1]se mutinent [2]les nations, & pourquoi les peuples [3]projettent-ils [4]des choses vaines? [a] Act. 4.25 [1] Ou, bruyent, se tempétent, s’attroupent, se liguent, ou se bandent: Le mot H. peut avoir la sinification de s’assembler, ou, tenir des conventicules, & et aussi de bruire, & de s’émouvoir, comme on peut le recueillir du Ps.55.15. & 64.3. Dan.6.7. [2] Ass. tant Juifs que Gentils. Voi Act. 4.27. D’autres traduisent, les Gentils. [3] C. forment des desseins & font des entriprises qui ne leur profiteront de rien; mais se renverseront enfin á leur propre ruïne. [4] C. des projets inutiles, sans raison & sans fondement, par lesquels ils ne pourront nullement empecher le conseil de Dieu, & qui ne reüsiront qu’à leur confusion. H. des vanités.
Men kan uit het bovenstaande opmaken dat zowel de samenvattingen boven Genesis 11 en Psalm 2 als de kanttekeningen bij de bijbeltekst goed in het Frans zijn overgekomen. Waarom dan hier, dan daar, bewoordingen zijn toegevoegd of weggelaten, is een niet te beantwoorden vraag. Tegenover uitbreidingen als ‘fils de son frère’, ‘la confusion’ en ‘sans raison & sans fondement’, staan ook weer inkortingen zoals ‘ils’ (StV: kinderen der menschen) en ‘par orgueil’ (StV.: uyt enckele trots). Verder werkt het nogal verwarrend dat ten gevolge van de vermenging met noten uit andere bron het niet steeds helder is wat afkomstig is uit de Statenvertaling en wat van andere auteurs of commentaren. Zo blijkt noot 4 bij psalm 2 de vertaling te zijn van kanttekening 3 (met bovenvermelde toevoeging). Maar doordat noot 3 waarvan de herkomst moeilijk valt te traceren, ongeveer dezelfde inhoud heeft, is er een doublure ontstaan die hinderlijk werkt, een overdaad die schaadt.
Evenals bij ons artikel over Haak willen we dit gedeelte afsluiten met de zwaargeladen kanttekening 47 bij Romeinen 3:24 (3:23 in de Geneefse bijbel 1669).
Statenvertaling + kanttekeningen
Geneefse Bijbel 1669
Romeinen 3:24 ende worden om niet gerechrveerdigt/ uyt sijne genade/ door de verlossinge die in Christo Jesu is. kanttekening 47: Van hier voort beschrijft den Apostel alle de oorsaecken ende eygenschappen van de rechtveerdighmakinge des geloofs/ die ons inden Evangelio geopenbaert is. De opperste oorsaecke dan is de onverdiende genade Godts/ de bewegende ende verdienende oorsaecke is de versoeninge ende verlossinge door Christum geschiet: het middel/ waer door ons die wort toegerekent/ is het geloove inden bloede Christi: het eynde is de betooninge van Godts gerechtigheyt/ ende de vergevinge der sonden. De eygenschap is/ dat alle roem des menschen voor Godt hier door wort uytgesloten/ ende dat de selve geopenbaert is/ niet alleen voor de Joden/ maer oock voor de Heydenen.
Romeinen 3:23 Estant justifiez gratuïtement par sa grace, par la redemption qui est en Jesus-Christ: Noot 56 bij vers 23: L’Apôtre nous represente ici & dans les paroles suivantes, toutes les causes & proprietés de la justifications par la foi, qui est revelée en l’Evangile: Sa cause premiere & principale, c’est la grace toute gratuïte & non meritée de nôtre Dieu; sa cause mouvante & meritoire, c’est la redemtion, satisfaction & expiation obtenuë par J. Christ que Dieu nous impute comme nôtre, pour étre couronnée en nous, comme nos pechés lui ont été imputés comme siens, pour étre punis en lui: Sa cause instrumentale, par laquelle nous nous appliquons le merite, la satisfaction & la propitiation faite par J.C. c’est la foi en son sang: Sa cause finale, c’est la manifestation de la justice de Dieu en la remission de nos pechés: Sa proprieté, c’est d’une part que par elk est excluë toute vantance des hommes devant Dieu; & de l’autre, qu’elle n’est pas seulement pour les Juifs, mais aussi pour les Gentils.
Nauwkeurige vergelijking toont aan dat het dogmatische commentaar bij het ‘om niet gerechtvaardigd worden’ in grote trekken bewaard is gebleven. Het stramien waarop de Nederlandse tekst is opgebouwd: de opperste oorsaecke, de bewegende ende verdienende oorsaecke, het middel, het eynde, de eygenschap, vindt men in zijn geheel terug in de reeks: sa cause premiere et principale, sa cause mouvante & meritoire, sa cause instrumentale, sa cause finale, sa proprieté. Maar de formuleringen, vooral in het middenstuk, lijken onnodig omslachtig, vooral door de uitweiding over de toerekening. De tekst is dan wel veel bloemrijker geworden maar niet helderder.
Merk ook op hoe ‘het eynde is de betooninge van Godts gerechtigheyt/ ende de vergevinge der sonden’ in de franse vertaling ‘sa cause finale, c’est la manifestation de la justice de Dieu en la remission de nos pechés’ geworden is. Of is hier sprake van een zetfout en moet en gewoonweg als et worden gelezen?
In ieder geval hebben vader en zoon Maret met deze uitgave een groots werk geleverd, dat getuigt van het gezag en het ontzag dat dc Statenvertaling met haar kanttekeningen genoot in het zeventiende-eeuwse Europa. Of de vertaalde kanttekeningen nu ook werkelijk invloed hebben uitgeoefend op het denken en doen van de Franssprekende Calvinisten in het algemeen en van de Waalse Gemeenten in de Noordelijke Nederlanden in het bijzonder, valt moeilijk na te gaan. Een herdruk is mij althans niet bekend.
2. De Duitse Lutherbijbels van 1668, 1715/1716 en 1729
Onder de protestanten van het Duitse taalgebied was de Lutherbijbel in de zestiende en zeventiende eeuw zo overheersend, dat een vertaling die men op een andere grondslag of vanuit een afwijkende vertaalopvatting zou willen maken, niet op een welwillende ontvangst zou hoeven te rekenen. Toch hadden Calvinisten in het Duitse taalgebied behoefte aan een meer op Genève gerichte bijbeluitleg. Daarom was het volstrekt niet vreemd dat Paulus Tossanus, een man met wie we al eerder kennis hebben gemaakt in de voorafgaande artikelen over Haak, in 1617-1618 als hoogleraar in het Calvinistische Heidelberg, een Lutherbijbel voorzag van goed gereformeerd commentaar. Het werd een uitgave die meteen al bekritiseerd werd om zijn ‘Calvinistische tendenzen’.
Paulus Tossanus (1572–1634).
In 1668 (Frankfurt), in 1715/16 (Minden) en in 1729 (Bazel) verschijnen opnieuw die door Tossanus becommentarieerde Lutherbijbels, maar dan uitgebreid met ‘Glossen und Auslegungen’ van anderen. Het exemplaar van 1729 dat zich in de bijbelcollectie van het NBG bevindt,4 vermeldt op de titelpagina liefst viermaal de Nederlanden als bron! Het zou te ver voeren om die letterlijk volgeschreven en in rood en zwart gedrukte pagina hier in zijn geheel te citeren. Het volgende volstaat:
Glossen und Auslegungen, welche fürnemlich aus der Niederländischen, so dann auch hie und da aus herrn Deodati und anderer hocherleuchteter Theologorum besten Annotationen ansehnlich vermehret/ und durch etliche Hebreischen/ Griechischen/ Niederländischen und anderer Sprachen wohlerfahrne Dienere Göttlichen Worts aufs neue ganß durchgangen, und deutlicher gegeben worden, dadurch der Text, wo er etwas dunckel und schwer, nüßlich erläutert und erkläret; wie nicht weniger mit weitlaufftigern Vorreden, Summarien, Concordantien und Registern, so wol vor das Alte als Neue Testament/ jedem seine besondere/ und zwar meist aus dem Niederländischen verfertigte neue überaus nüßliche Haupt- und verbesserte Namenregister versehen/ welche so eingerichtet/ dass sie vast vor eine Concordanß dienen mogen. Anjeßo aber ist diese neue Edition mit unverdrossener Mühe und grossestem Fleisse aufs neue wieder durch und durch nach denen ältesten uns neuesten so wol Niederländischen als hochteutschen Editionen revidiret’ enz.
N.B. De cursiveringen zijn van de schrijver dezes.
Bekende namen
Opgenomen zijn een lange voorrede van J.J. Ulrich, opgedragen aan de christelijke lezer over de schoonheid en de kracht van de bijbel als Gods woord (liefst 27 foliopagina’s lang!), en de voorredes van Luther en Paulus Tossanus zelf. Voor ons onderwerp echter is veel interessanter de afgedrukte kopie van de in 1666 door de Heidelbergse theologen afgegeven licentie, ondertekend door Fridericus Spanheim, alweer een naam die we kennen uit de omgeving van Theodore Haak. Ook daarin wordt de vertaling van de glossen (= kanttekeningen) uit Nederlandse en Franse bronteksten genoemd. Vermeld wordt dat niet alleen de Luthertekst zorgvuldig is gecorrigeerd, ‘sondern auch die zuvor unvolkommene Glossen aus den Niederländischen und Franßösischen Originalien aufs neue fleißig überseßet’. Met die originelen zijn zonder twijfel de Statenvertaling en de Geneefse bijbel bedoeld.
En inderdaad zoals de titelpagina aangeeft, is veel uit de registers en de inleidingen op de bijbelboeken en ook het een en ander van het notenapparaat uit de Statenvertaling afkomstig. Vooral in het laatste zijn de bewerkers/vertalers meer dan in de registers en de inleidingen eclectisch te werk gegaan. Om aan te tonen dat de Statenvertaling echt de bron geweest is waaruit zij geput hebben, volgen hier twee voorbeelden van een vrijwel letterlijke vertaling uit het Nederlands, het een een lemma uit het Register, het ander de bekende noot bij Romeinen 3:24.
Statenvertaling 1637 register
Lutherbijbel 1729 register
Afgoden, Afgoderye/ soo inwendige als uytwendige/ wort/ als eenen grouwel/ geestelicke hoererye/ ende overspel/ Duyvelsdienst/ Ydelheyt/ leughen ende bedroch/ smerten/ nieticheden/ verfoeyselen/ dreckgoden/ hout ende steen/ andere Goden/ vreemde goden/ scherpelick verboden.
Abgötter/ Abgötteren/ oder Gößen/ Gößendienst/ innerlich und äußerlich/ wird gar ernstlich verboten/ als ein greuel/ geistliche hureren/ und ehebruch/ teufelsdienst/ eitelkeit/ lügen und betrug/ schmerßen/ scheusahl/ dreckgötter/ holz und stein/ andere und fremde Götter.
Statenvertaling + kanttekeningen
Lutherbijbel 1729
Romeinen 3:24 ende worden om niet gerechrveerdigt/ uyt sijne genade/ door de verlossinge die in Christo Jesu is. kanttekening 47: Van hier voort beschrijft den Apostel alle de oorsaecken ende eygenschappen van de rechtveerdighmakinge des geloofs/ die ons inden Evangelio geopenbaert is. De opperste oorsaecke dan is de onverdiende genade Godts/ de bewegende ende verdienende oorsaecke is de versoeninge ende verlossinge door Christum geschiet: het middel/ waer door ons die wort toegerekent/ is het geloove inden bloede Christi: het eynde is de betooninge van Godts gerechtigheyt/ ende de vergevinge der sonden. De eygenschap is/ dat alle roem des menschen voor Godt hier door wort uytgesloten/ ende dat de selve geopenbaert is/ niet alleen voor de Joden/ maer oock voor de Heydenen.
Romeinen 3:24 Und werden ohne verdienst gerecht aus seiner gnadc, durch die erlösung, so durch Christum JEsum geschehen ist. Noot 1 bij vers 24: Von hier an beschreibet der Apostel alle die ursachen und eigenschafften der rechtfertigung des glaubens, die uns im Evangelio geoffenbahret ist. Die oberste ursache ist die unverdiente gnade GOttes: die bewegende und verdienstliche ursache ist die versöhnung und erlösung durch Christum: Das mittel, dadurch dieselbe uns zugerechnet wird, der glaube an das blut Christi: Das ende, die offenbahrung der gerechtigkeit Gottes, und die vergebung der sünden. Die eigenschafft ist, dass aller ruhm des menschen fur GOTT hiedurch wird ausgeschlossen, und das dieselbige nicht nur den Juden, sondcrn auch den Heyden geoffenbahret.
Meer dan de Geneefse bijbel van 1669 en zelfs nog nauwkeuriger dan Theodore Haak hebben de Calvinistische bewerkers van deze Lutherbijbel hier de tekst van de Nederlandse kanttekening op de voet gevolgd. Wat de Apocriefe Boeken betreft, op dit punt konden de bewerkers/vertalers uiteraard niet om de beslissing van Luther heen, die ze als een geheel plaatste tussen het Oude en Nieuwe Testament. Maar als goede Calvinisten konden ze het aan het einde van de inleiding op deze boeken toch niet laten om er negatief over te oordelen. Als niet door de Geest ingegeven teksten ware het beter geweest wanneer de oude kerk ze nooit in de bijbel had opgenomen. Maar met uitdrukkelijke verwijzing naar de Synode van Dordrecht eerbiedigt men de opvatting dat ze omwille van de lieve vrede binnen de hervormingsgezinde kerken moeten worden gehandhaafd, zij het dat ze eerder achterin een plaats hadden moeten vinden overeenkomstig het besluit van diezelfde Synode! Uit dit alles mag duidelijk zijn dat dc Statenbijbel ook onder de Duitssprekende Calvinisten vermaard was om zijn inleidingen, registers en notenapparaat.
3. De bijbelvertaling van Chylinski
Het was in het jaar 1654 dat de Gereformeerde Synode van Litouwen besloot om een jongeman van Poolse afkomst en de leer van Calvijn toegedaan, met een beurs naar het buitenland te sturen. Zijn naam was Samuel Boguslaw Chylinski en zijn vermoedelijke geboortejaar 1635. In het jaar 1654 meldde hij zich bij de Universiteit te Franeker in de Noordelijke Nederlanden, waar Polen als Jan Makowski en Nicholas Arnold of Leszno theologie doceerden.5 Het waren hectische jaren, want de Litouwse Calvinisten raakten betrokken bij de oorlog die de Zweedse koning Gustav Karl X (1654-1660) tegen Polen ondernam. Chylinski ging in 1655 voor korte tijd naar Dantzig terug, om daar te vernemen dat zijn vader was gesneuveld en dat twee broers en twee zussen naar het oosten waren gedeporteerd.
Weer terug in Franeker werpt hij zich ondanks een zwakke gezondheid vol ijver onder andere op de studie van het Hebreeuws, en toen is bij hem waarschijnlijk ook de idee ontstaan om de bijbel in het Litouws te vertalen. Misschien is hij er daar in Franeker ook al mee begonnen. Op de eenendertigste maart 1657 verliet hij Franeker om over te steken naar Engeland, alwaar hij april 1657 in Londen aankwam.
Er zijn voldoende Engelse getuigenissen voorhanden waaruit blijkt dat hij onmiddellijk aan de gang is gegaan met de vertaling van de bijbel in het Litouws, en dat hij eind november 1659 met zijn vertaalarbeid is gereedgekomen. Of dat in opdracht was van de Synode van Kiejdany, die eind 1656/ begin 1657 tot een bijbelvertaling in het Litouws het besluit nam, lijkt niet goed meer te achterhalen.6
Volgens diezelfde Engelse gegevens heeft hij zich die drie jaar niet alleen beziggehouden met het vertaalwerk, maar ook met het verzamelen van gelden voor het zetten en drukken van de tekst. Onder de mensen met wie Chylinski contact had, of die Chylinski aanmoedigden, van raad dienden en zelfs financieel steunden, waren mannen van naam zoals: John Dury, Samuël Hartlib en Comenius, dezelfden die we ook al tegengekomen zijn in de kring rond Haak. Ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat Haak en Chylinski elkaar moeten hebben gekend? Beiden waren in dezelfde jaren en in hetzelfde land dag en nacht bezig met dezelfde vertaalarbeid. Of is dit te veel speculatie?
Omdat het er maar niet van kwam dat het kant en klare manuscript uitgegeven werd, ondernam Chylinski in 1661 een reis naar Litouwen om de zaak te bepleiten bij de Synode van Kiejdany (20-24 augustus). Bij zich had hij 11 drukproeven van het Oude Testament en nog andere manuscripten. Nadat hij in Engeland was teruggekeerd, werden er nooit bewezen beschuldigingen tegen hem ingebracht dat hij de opbrengst van collectes verduisterd zou hebben. Die verdachtmakingen leidden er wel toe dat de Synode van Wilna (3-10 juni 1663) hem van zijn functie onthief en de taak overdroeg aan Jan Krainski en Nicholas Minwid.
Om een lang verhaal kort te maken, het kwam erop neer dat die drukproeven van Genesis tot en met de Psalmen aanvaard werden, dat de rest van het Oude Testament aan een strenge correctie zou worden onderworpen en dat het manuscript van het Nieuwe Testament werd afgewezen. Het is niet onmogelijk dat Jan Borzymowski, de aangewezen supervisor, zich bij zijn beoordeling heeft laten leiden door afgunst, temeer omdat hij zelf bezig was met het Nieuwe Testament.
Chylinski keerde niet meer naar Litouwen terug en overleed enkele jaren later in 1668, wellicht als een berooid en ontgoocheld man. Van de bijbeltekst (Genesis tot en met Psalm 40) die in 1661 in druk gereed lag, bestaan nog drie exemplaren.
Nederlands in de Litouwse vertaling
Dit alles is op zichzelve wel interessant, maar wat is het verband met de Statenvertaling? Wel, in 1932 kocht het Brits Museum in Londen van een particulier een handschrift van het Nieuwe Testament aan dat in 1934 door Stanislaw Kot geïdentificeerd werd als de volledige vertaling van het Nieuwe Testament door Chylinski. Een tekstkritische uitgave zag te Poznan in 1958 het licht, met uitvoerige inleidingen en studies. Poolse en Litouwse taalwetenschappers, met name Jan Otrebski en mevr. I. Zawadska, waren van mening dat Chylinski wel eens een Nederlandse ‘Vorlage’ geraadpleegd kon hebben, misschien wel de Statenvertaling. Dit op grond van Nederlandse woorden in de bijbeltekst zelf en in aantekeningen voor en achter in het handschrift.
Het onderzoek hiernaar is vorig jaar in een stroomversnelling gekomen doordat het Nederlands Bijbelgenootschap van twee zijden benaderd werd om hierbij enige hulp te bieden. Enerzijds van de kant van Prof. Dr. Bernfried Schlerath uit Berlijn en anderzijds van de kant van mevr. Gina Kavaliunaite van het Litouwse Taalinstituut (Lietuviu Kalbos Institutas) te Vilnius.7
Hier volgen enkele voorbeelden die moeten aantonen dat Chylinski een Statenbijbel bij de hand heeft gehad:
1 Timoteus 4:14 luidt:
En versuymtmet dowanoo kuriy ira, enz.
Titus 3:8:
ir noriu idand tuo dayktus ernstelich stypryntumbey, enz.
Hebreeën 4:12:
ir dwasioo, ir sumezgimump, ir mercks, enz.
N.B. De cursiveringen zijn van de auteur dezes.
Het gaat om de woorden ‘En versuymt met’, ‘ernstelich’ en ‘mercks’, die zonneklaar uit de Statenvertaling afkomstig zijn. Daarbij heb ik de voorzichtige suggestie gedaan dat `en versuymt met’ eigenlijk gelezen moet worden als ‘en versuymt niet’ overeenkomstig de Nederlandse tekst, en dat de Poolse onderzoekers het woord verkeerd zouden hebben gelezen, niet alleen ten gevolge van het moeilijk te ontcijferen handschrift, maar ook vanwege een niet optimale kennis van de orthografie van Nederlandse woorden uit de zeventiende eeuw.
Voorbeelden uit aantekeningen achter in het handschrift zijn onder andere: ‘werkiert’ (Handelingen 2:41); ‘hebbeik u geschrewen’ (1 Johannes 5:13); ‘wertragen – verslappen’ (Galaten 6:8) en ‘met inerliche onterminge bewegkt zijnde’ (Lucas 10:33). Ook hier krijgt men de indruk dat dc uit het Nederlands afkomstige woorden mogelijkerwijze niet helemaal goed door de Poolse tekstuitgevers gelezen zijn. Op dit stuk zou nader onderzoek van het nieuwtestamentische handschrift van Chylinski mijns inziens zeker nog wenselijk zijn.
Interessant is het ook om te kunnen achterhalen welke editie Chylinski kan hebben geraadpleegd. Gesuggereerd is onder andere de Gouda-editie van 1647 door de gebroeders Rammazeyn, maar dc reden waarom is mij niet duidelijk. De edities van de Statenvertaling van 1637 af vertonen geen onderlinge tekstverschillen. Hooguit doen zich minieme spellingsveranderingen voor, maar die kunnen geen aanleiding geven tot schrijfwijzen als ‘wertragen’ in plaats van ‘vertragen’ of als ‘onterminge’ in plaats van ‘ontferminghe’. Het kleine aantal Nederlandse woorden, een tiental, vormt toch wel een te smalle basis om een verantwoorde keuze te maken uit de vele edities van 1637 tot en met 1657.
Natuurlijk is het mogelijk dat Chylinski uit het hoofd geciteerd heeft. Meer voor de hand ligt het echter aan te nemen dat hij een Statenbijbel vanuit Franeker naar Engeland heeft meegenomen. Wellicht dat dit zelfs de gecorrigeerde editie 1657 van Ravesteyn kan zijn geweest. Verder onderzoek door leden van het Lietuviu Kalbos Institutas en door andere taalgeleerden zal uiteindelijk moeten uitwijzen hoe groot de rol van de Statenvertaling geweest is voor het vertaalwerk van Chylinski.
In ieder geval mevrouw Kavaliunaite houdt het voor mogelijk dat de Litouwse tekst van het Nieuwe Testament volledig uit de Statenvertaling vertaald is! Met gespannen belangstelling wachten we de resultaten van hun bevindingen af.
De heer A.W.G. Jaakke is vertaler bij het Nederlands Bijbelgenootschap.
Bronvermelding
A.W.G. Jaakke, ‘Ver over de grenzen III. De invloed van de Statenvertaling in het buitenland’ in: Met Andere Woorden 16/1 (maart 1997), 2-16.
1 D’Apostel betuyght dat hy tot de volmaecktheyt wil voort gaen, ende nu niet handelen van de eerste beginselen der Christelicke leere, welcker hooftpuncten hy kortelick verhaelt. 3 maer dat hy evenwel by andere gelegentheyt oock sulcks doen wil. 4 dewijle het onmogelick is dat de gene die daer van vervallen, na dat sy de gaven des Geests gesmaeckt hebben, wederom souden vernieuwt worden tot bekeeringe. 7 Verklaert sulcks door een gelijckenisse van vruchtbare ende onvruchtbare aerde. 9 Betuyght dat hy uyt de vruchten harer liefde beter van haer gevoelt. 11 maer dat hy dit seght om haer tot neerstigheyt te verwecken, ende tot vaster hope op Godts beloften. 13 dewijle Godt deselve niet alleen met woorden en heeft gegeven, maer oock met eede aen Abraham ende sijn zaet bevestight. 16 welcken eedt een eynde is van alle tegenspreken onder de menschen, veel meer dan by Godt die niet en kan liegen. 19 Waerom wy onse hope, als een ancker der ziele, moeten vast maken in den hemel. 20 Daer Christus onse Hoogepriester voor ons is ingegaen.
1DAerom nalatende
Hebreen 6:1
Gr. het woort des beginsels Christi, dat is, daer door wy in het beginsel tot Christi lidtmaten worden aengenomen, ende gelijck de kinderleere is van d’eerst aenkomende, c. 5. vers 12.
het beginsel der leere Christi, laet ons
Hebreen 6:1
D. tot de volkomene kennisse der leere Christi voort gaen, Ephes. 4.13.
tot de volmaecktheyt voort varen: niet wederom leggende
Hebreen 6:1
Ofte, eersten gront, waer van hier ses hooftstucken worden verhaelt.
het fondament van de bekeeringe
Hebreen 6:1
D. van sondige ofte vleeschelicke wercken, waer van het eynde de doot is, Rom. 6.23. welcker kennisse insonderheyt door de wet komt, Rom. 3.20.
van doode wercken, ende van het geloove
Hebreen 6:1
Namelick, Vader, Sone, ende Heylige Geest, waer van de somma in de twaelf artijckelen des geloofs is begrepen.
in Godt,
2Van de leere
Hebreen 6:2
D. van de nature, instellinge, ende gebruyck des Doops ende der Sacramenten waer door het geloove ende bekeeringe in ons wort versterckt. Het woort doopen wort hier in het getal van vele gestelt, niet om datter meer als eenen doop is, Ephes. 4.5. maer ofte om den uytwendigen ende inwendigen doop te beteeckenen, 1.Petr. cap. 3. vers 21. ofte, om dat in de eerste Kercke de volwassene die tot Christum bekeert, ende nu eenen tijt langh in de Christelicke religie onderwesen waren, dickmaels te samen in een merckelick getal wierden gedoopt, soo datter vele doopen op eenen dagh schenen gepleeght te worden.
der doopen, ende
Hebreen 6:2
D. van de gaven des Heyligen Geests, die door de oplegginge der handen in de eerste Kercke den geloovigen in ’t gemeyn plaghten mede gedeelt te worden, Actor. 8.16, 17. ende bysonderlick in het instellen der Kerckendienaren, 1.Timoth. 4.14.
van de oplegginge der handen, ende
Hebreen 6:2
Van welcken artijckel de gene die tot de gemeynschap der Kercke Christi toegelaten wierden bysonderlick reeckenschap moesten geven, om dat niet alleen de Heydenen daer mede spotteden, Actor. 17.32. maer oock de Sadduceen onder de Ioden, Matth. 22.23. ende vele ketters onder de Christenen den selven loochenden, 2.Timoth. 2.18.
van de opstandinge der dooden, ende
Hebreen 6:2
Namelick, over levende ende over doode, over de ongeloovige ten eeuwigen doot, ende over de geloovige ten eeuwigen leven. Dit zijn dan de ses hooftstucken van de beginselen ofte fondamenten der Christelicke religie die den aenkomenden door vragen ende antwoorden voorgestelt wierden, die oock in onse Catechismen ten meerderendeel worden begrepen.
van het eeuwigh oordeel.
3Ende
Hebreen 6:3
Namelick, het leggen van de eerste fondamenten der Christelicke religie, die Paulus nu wel voorby gaet, om dat hy haer oock tot volkomener kennisse van andere leerstucken wilde brengen, maer evenwel belooft by andere gelegentheden deselve te verhandelen, indien het de Heere toeliet, gelijck hy oock elders in sijne Sendtbrieven doet. Andere verstaen dit van de verklaringe der volmaeckter leere: die hy sal gaen voorstellen.
dit sullen wy [oock] doen,
Hebreen 6:3
Actor. cap. 18. vers 21. 1.Corinth. cap. 4. vers 19. Iacob. cap. 4. vers 15.
indien het Godt toelaet.
4
Hebreen 6:4
Matth. cap. 12. vers 31. Hebr. cap. 10. vers 26. 1.Ioan. cap. 5. vers 16.
Want
Hebreen 6:4
Namelick, ten aensien van Godts rechtveerdigh oordeel over sulcke ondanckbare menschen, na de verklaringe die Christus selve gedaen heeft van de gene die tegen den Heyligen Geest sondigen, Matth. cap. 12. versen 31, 32. gelijck de volgende verssen oock uytwijsen dat hier, gelijck oock hier na Cap. 10. vers 26. van die sonde wort gesproken. Waerom den Apostel Ioannes, 1.Ioan. cap. 5. vers 16. gebiedt dat men voor sulcke niet en sal bidden. Siet dergelijcke wijse van spreken Ioan. cap. 12. versen 39, 40.
het is onmogelick, de gene
Hebreen 6:4
Namelick, in het verstant door de predicatie des Euangeliums.
die eens verlicht geweest zijn, ende
Hebreen 6:4
Dat is, het geloove, het welck hier geseght wort dat sy gesmaeckt hebben, niet om dat sy het selve in sijn recht wesen oyt souden ontfangen hebben, maer om dat sy een kleyn beginsel, ende gelijckenisse ofte schijn daer van gevoelt hebben, gelijck het woort smaken oock tegen innemen gestelt wort, Matth. 27.34. welck smaken Christus in de gelijckenisse van den zaeijer, Matth. 13. versen 20, 21. noemt een ontfangen des woorts met blijdtschap, het welck nochtans geen wortel, dat is, geen recht vertrouwen op Christum en heeft, noch geen behoorlicke vruchten in volstandigheyt en geeft, dewijle het op steenachtige aerde, dat is, in een herte dat niet behoorlick voor Godt en is vernedert noch bereyt, gevallen is. Ende dat dit hier oock de meyninge is blijckt uyt het volgende sevende vers ende elders, daer dese vergeleken worden met aerde die den regen niet in en drinckt, ende derhalven in plaetse van goet kruyt doornen ende distelen voort brenght.
de hemelsche gave gesmaeckt hebben, ende
Hebreen 6:4
Dat is, eeniger gaven des Heyligen Geests, die Godt in de eerste Kercke den discipelen mededeelde. Siet hier van 1.Corinth. capp. 12. 14.
des Heyligen Geestes deelachtigh geworden zijn,
5Ende gesmaeckt hebben
Hebreen 6:5
Dat is, de beloften des Euangeliums, daer dese oock eenigen smaeck van ontfangen hebben, gelijck van het woort Ioannis des Doopers in sommige Ioden geseght wort, Ioan. cap. 5. vers 35. dat sy in sijn licht haer voor eenen korten tijt hebben willen verheugen.
het goede woort Godts, ende
Hebreen 6:5
Dit kan bequamelick van de krachten des eeuwigen levens verstaen worden, waer van dese menschen oock somwijlen eenigen kleynen smaeck hebben, door dien sy dit woort met blijdtschap ontfangen, ende haer in de belofte des selven eenen tijt langh verheugen, gelijck hier voor vers 4. is aengewesen: ende komt het woort smaken hier mede wel over een.
de krachten der toekomende eeuwe,
6Ende
Hebreen 6:6
Ofte, vervallen, waer door niet allerley sonden en worden verstaen, daer de ware geloovige oock somwijlen in vervallen, gelijck David, Petrus, etc. die daer na tot bekeeringe komen: maer een geheele vervallinge ofte afval van de Christelicke religie, ende die moetwillighlick geschiet, gelijck Cap. 10. vers 26. wort uytgedruckt, ende met lasteringe der selve, tegen het getuygenisse des Heyligen Geests in haer gemoedt, gevoeght is: gelijck Christus betuyght Matth. 12.31.
afvalligh worden,
Hebreen 6:6
Dit siet op ’t voorgaende woort onmogelick, vers 4. Het is dan onmogelick die wederom te vernieuwen: welcke onmogelickheyt niet alleen van de Leeraren te verstaen is, die te vergeefs souden arbeyden om die te vernieuwen, ofte tot bekeeringe te brengen, maer oock ten aensien van Godts waerheyt selve, die eens dit rechtveerdigh oordeel tegen haer heeft gevelt, ende niet veranderlick en is, ende hem niet en laet bespotten, Galat. cap. 6. vers 7. ja oock ten aensien van Christi verdienste die dese moetwillighlick versaken ende verwerpen, gelijck volght. Waerom oock Cap. 10. vers 26 geseght wort datter geen offerande voor de sonde van soodanige meer overigh is.
[die segge ick,]
Hebreen 6:6
Dit woordeken wederom siet op den staet daer sy uyt vervallen zijn, welcke staet een beginsel was van de vernieuwinge, soo sy daer in gebleven ende behoorlick voort gegaen hadden, tot welcken stant sy selfs niet en konnen weder gebracht worden. Andere nemen dese woorden wederom vernieuwen, slechtelick voor vernieuwt worden, gelijck het Griecks woort palin, Dat is, wederom, door een oneygentlicke wijse van spreken Pleonasmus genoemt, dickmael overschiet. Siet een exempel Ioan. cap. 4. vers 54. ende cap. 13. vers 12. Actor. cap. 18. vers 21. ende wort alleen daer by gevoeght om de sake krachtiger te betuygen.
wederom te vernieuwen tot bekeeringe:
Hebreen 6:6
In dese woorden wort noch een reden gegeven, waerom sulcke afvallige niet en konnen vernieuwt worden tot bekeeringe, namelick, om dat sy Christum, dien de Vader tot een versoeninge voor onse sonden heeft gegeven, haer selven, dat is, soo veel in haer is, gelijck de Ioden ende Heydenen te voren aen Christum uyterlick eens gedaen hadden, nieuwen smaet aendoen, ende tegen haer gemoedt ten toone stellen, ofte te schande maken voor alle de werelt, ende tot haren verderve, het welck Godt niet en wil ongewroken laten: gelijck dit Griecks woort paradeigmatizein oock beteeckent, Matth. 1. vers 19. voor welck woort, Marc. 3.29. het woort blasphemein gebruyckt wort.
als welcke haer selven den Sone Godts wederom kruycigen ende opentlick te schande maken.
7
Hebreen 6:7
Door dese gelijckenisse toont de Apostel de billickheyt van dit swaer oordeel Godts over sulcke menschen, dewijle dergelijcke selfs onder de menschen over sulcke aerde plaght te geschieden.
Want de aerde die den regen menighmael op haer komende indrinckt, ende bequaem kruyt voort brenght voor de gene door welcke sy oock gebouwt wort, die
Hebreen 6:7
Ofte, wort des zegens van Godt deelachtigh, Dat is, wort van Godt meer ende meer bequaem gemaeckt om meer vruchten voort te brengen.
ontfanght zegen van Godt.
8Maer die doornen ende distelen draeght, die is verworpelick, ende
Hebreen 6:8
Dat is, om geheel verlaten, ende als een vervloeckte sake tot den brant over gegeven te worden.
na by de vervloeckinge, welcker eynde is tot verbrandinge.
9
Hebreen 6:9
Met dese woorden versacht den Apostel het voorgaende dreygement, ende verklaert in het vervolgh waerom hy de sware straffe der afvallige haer voorgedragen heeft, namelick, niet om dat hy haer voor soodanige soude houden, maer om haer te waerschouwen ende tot vast houden aen de leere des Euangeliums ende Godts beloften te vermanen.
Maer, geliefde, wy versekeren ons van u betere dingen, ende
Hebreen 6:9
Ofte, der saligheyt aenklevende.
met de saligheyt gevoeght, hoewel wy
Hebreen 6:9
Dat is, soo swaren oordeel uytspreken tegen de afvallige.
D. ontrouw, ofte onstantvastigh in het volbrengen van sijne beloften: gelijck Godts waerheyt ende stantvastigheyt in deselve oock de rechtveerdigheyt Godts doorgaens genaemt wort. siet Psalm 143. vers 1. 1.Ioan. 1. vers 9.
onrechtveerdigh, dat hy
Hebreen 6:10
Namelick, des waren geloofs, dat hy in u alreede heeft gewrocht, Philip. 1. vers 29.
uw’ werck soude
Hebreen 6:10
Namelick, dat hy het selve, volgens sijne belofte, tot den eynde toe in u niet en soude volbrengen, Philip. 1.6. ende hier namaels niet en soude genadelick beloonen.
vergeten, ende den arbeyt der liefde, die ghy
Hebreen 6:10
Ofte, in sijnen name, Dat is, niet alleen uyt eenige menschelicke beweginge tegen de arme ende verdruckte, maer om dat sy om den name Godts, ende om de belijdenisse Christi leden, het welck een eygenschap is des waren geloofs, ende der ware liefde, die Christus niet onbeloont en laet. siet Matth. cap. 10. versen 41, 42. ende cap. 25. vers 40. Marc. 9.41.
aen sijnen name bewesen hebt, als die den heyligen gedient hebt ende [noch] dient.
11Maer wy begeeren dat een yegelick van u deselve neerstigheyt bewijse
Hebreen 6:11
Want gelijck de hope der saligheyt uyt het geloove voort komt, alsoo wort deselve hope oock meer ende meer gesterckt door de ware vruchten des geloofs. siet 2.Petr. 1.10.
tot de volle versekertheyt der hope,
Hebreen 6:11
Namel. uwes levens: want die volstandigh blijft tot den eynde die sal saligh worden, Matth. cap. 10. vers 22.
tot den eynde toe:
12Op dat ghy niet traegh en wort, maer navolgers zijt der gene die door geloove ende
Hebreen 6:12
Dat is, lijdtsame verwachtinge van de volbrenginge van Godts belofte, gelijck hy daer na met het exempel Abrahams ende aller ware geloovige bewijst.
lanckmoedigheyt
Hebreen 6:12
Dat is, de beloofde erve in den hemel nu genieten.
de beloftenissen be-erven.
13Want
Hebreen 6:13
Den Apostel bewijst met het exempel Abrahams des vaders aller geloovige het gene hy in het voorgaende vers van alle de geloovige voorvaders hadde betuyght.
als Godt Abraham
Hebreen 6:13
Namelick, Genes. 22.16. wanneer Abraham sijnen sone hadde geoffert, in welcke belofte alle lichamelicke ende geestelicke beloften zijn begrepen, namelick, van het beloofde zaet, ende van de vermenighvuldiginge van sijn zaet als des vaders aller geloovige: waer van siet naerder verklaringe Rom. cap. 4. vers 16. Galat. cap. 3. vers 14, etc.
de belofte dede, dewijle hy by niemant die meerder was en hadde te sweeren, soo swoer hy by hemselven,
Dit woort en staet wel in den Hebreeuschen text niet, maer wort uyt de Griecksche oversettinge van Paulo daer by verhaelt, alsoo het in den sin selve begrepen is. Andere houden dat het woordeken ki, het welck in den Hebreeuschen text staet, somwijlen oock waerlick beteeckent, Iob cap. 8. vers 6. Proverb. 30.2.
Waerlick,
Hebreen 6:14
Dat is, seer overvloedelick ende geduerighlick zegenen, ende seer vermenighvuldigen.
zegenende sal ick u zegenen, ende vermenighvuldigende sal ick u vermenighvuldigen.
15Ende alsoo
Hebreen 6:15
Gr. lanckmoedigh geweest zijnde.
lanckmoedelick verwacht hebbende, heeft hy
Hebreen 6:15
Dat is, het gene Godt belooft hadde, gelijck vers 12.
de belofte verkregen.
16Want de menschen sweeren wel
Hebreen 6:16
Namelick, by Godt. Want andere eeden worden in Godts woort veroordeelt. Siet Deuter. cap. 6. vers 13. Ierem. cap. 4. vers 2. ende 5.7. De reden is om dat Godt alleen de herten der menschen kent, ende alle menschen hoe groot sy zijn, kan straffen, soo sy valschelick sweeren.
Dat is, den wettelicken ende behoorlicken eedt van menschen op welcke niet te seggen en valt.
eedt
Hebreen 6:16
Namelick, van de beloften die aen yemant gedaen worden. Want alsoo daer tweederley soorte van eedt is, eene van saken die geschiet zijn, om de waerheyt daer van te betuygen, ende eene van het gene belooft wort, om van de toekomende onderhoudinge andere te versekeren, Paulus spreeckt hier insonderheyt van de laetste soorte des eedts.
tot bevestinge is den selven een eynde van alle tegensprekinge.
17Waer in Godt willende den erfgenamen der beloftenisse overvloedelicker bewijsen de onveranderlickheyt sijnes raets, is met eenen eedt
Hebreen 6:17
Ofte, heeft door eenen eedt gemiddelt, Dat is, het middel van eenen eedt gebruyckt.
daer tusschen gekomen:
18Op dat wy
Hebreen 6:18
Dat is, sijne belofte, ende sijnen eedt, die beyde onveranderlick zijn.
door twee onveranderlicke dingen, in welcke het onmogelick is dat Godt liege, een stercke vertroostinge souden hebben, [wy namelick] die den toevlucht genomen hebben, om
Hebreen 6:18
Dat is, de lijdtsamige verwachtinge van de vervullinge der beloften door den geloove van ons aengenomen, Rom. 8. versen 24, 25. alsoo dat het woort hope alhier in sijne eygene beteeckeninge wort genomen.
de voorgestelde hope vast te houden:
19
Hebreen 6:19
Namelick, hope wy geloovige hebben, etc.
Welcke wy hebben
Hebreen 6:19
Dat is, daer de ziele haer mede vast houdt aen Godts beloften, tegen alle bewegingen ende stormen der werelt: gelijck een schip met sijn ancker in zee tegen alle tempeesten.
als een ancker der ziele, het welck seker ende vast is, ende ingaet
Hebreen 6:19
D. den hemel, daer Christus is sittende ter rechter hant Godts ende voor ons bidt: het welck door den ingangh des Hoogenpriesters in het Heylige der heyligen beduydt wiert, gelijck hier na verklaert wort Cap. 9. vers 24.
in het binnenste des voorhanghsels:
20Daer
Hebreen 6:20
Namelick, die voor ons daer ingegaen is, om ons een plaetse te bereyden, Ioan. cap. 14. versen 2, 3.
de voorloper, voor ons, is in gegaen, [namelick] Iesus, na de ordeninge
Hebreen 6:20
Dit voeght den Apostel daer by, om alsoo weder te keeren tot de verklaringe van het Konincklick Priesterdom Christi, welcke hy hadde afgebroken, Cap. 5. vers 11, etc. ende herneemt die wederom in het volgende Capittel.
een Hoogepriester geworden zijnde in der eeuwigheyt.
1Daarom, nalatende het beginsel van de leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren; niet wederom leggende het fundament van de bekering van dode werken, en van het geloof in God,
2Van de leer der dopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der doden, en van het eeuwige oordeel.
Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en de Heilige Geest deelachtig geworden zijn,
5En gesmaakt hebben het goede woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw,
6En afvallig worden, die, zeg ik, weer te vernieuwen tot bekering, daar zij voor zichzelf de Zoon van God weer kruisigen en openlijk te schande maken.
7Want de aarde, die de regen, menigmaal op haar komende, indrinkt, en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door wie zij ook bebouwd wordt, die ontvangt zegen van God;
8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, wier einde is tot verbranding.
Vermaning tot standvastigheid gelijk Abraham
9Maar, geliefden, wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.
Want God is niet onrechtvaardig dat Hij uw werk zou vergeten, en de arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, daar gij de heiligen gediend hebt en nog dient.
11Maar wij begeren, dat een ieder van u dezelfde naarstigheid bewijze, tot de volle verzekerdheid der hoop, tot het einde toe;
12Opdat gij niet traag wordt, maar navolgers zijt van hen, die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.
13Want toen God aan Abraham de belofte deed, daar Hij bij niemand, die meer was, had te zweren, zo zwoer Hij bij Zichzelf,
de eed tot bevestiging is hun een einde van alle tegenspreken;
17Waarin God, willende de erfgenamen van de beloftenis overvloediger bewijzen de onveranderlijkheid van Zijn raad, met een eed daartussen is gekomen;
18Opdat wij, door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liegt, een sterke vertroosting zouden hebben, wij namelijk, die de toevlucht genomen hebben, om de voorgestelde hoop vast te houden;
19Welke wij hebben als een anker der ziel, dat zeker en vast is, en ingaat in het binnenste van het voorhangsel;
20Waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus, naar de ordening van Melchizédek,