1 Van Mileten reyst Paulus voort na Syrien, ende komt aen te Tyrus. 4 De discipelen aldaer raden hem de reyse van Ierusalem af, doch te vergeefs. 5 Hy treckt voort na Ptolemais, ende van daer na Cesareen: alwaer hy eenige dagen blijft ten huyse Philippi des Euangelists, wiens vier dochteren propheteerden. 10 Agabus voorseght hem sijne banden te Ierusalem, dies hem de broeders oock met tranen bidden van daer te blijven. 13 maer verstaende dat hy bereyt was oock om Christi wille te sterven, onderwerpen sy haer den wille Godts. 15 Hy komt te Ierusalem, ende gaet t’huys liggen by Mnason. 18 Daer na gaet hy tot Iacobum, ende verhaelt hem ende den Ouderlingen wat Godt door hem gedaen hadde. 20 door welcker raet hy met vier mannen, die een belofte hadden, in den tempel gaet om hem te heyligen. 27 alwaer hy van eenige Ioden uyt Asien gesien wort, die oploop tegen hem verwecken ende hem soecken te dooden. 31 maer wort door den Romeynschen Oversten haer ontnomen, ende in het leger gebracht. 39 van welcken hy oorlof krijght om tot het volck te spreken.
1 ENde als het geschiedde dat wy van haer
gescheyden ende
afgevaren waren, soo liepen wy recht uyt ende quamen tot
Coos, ende den [dagh ] daer aen tot
Rhodos, ende van daer tot
Patara.
2 Ende een schip gevonden hebbende dat na
Phenicien
over voer, gingen wy daer in, ende voeren af.
3 Ende als wy Cypren
in het gesichte gekregen, ende dat aen de slincker [hant ] gelaten hadden, voeren wy na Syrien, ende quamen aen tot
Tyrus: want
het schip soude aldaer den last ontladen.
4 Ende
de discipelen gevonden hebbende, bleven wy daer seven dagen: dewelcke tot Paulum seyden
door den Geest,
dat hy
niet en soude opgaen na Ierusalem.
5 Doe het nu geschiedde dat wy dese dagen
over gebracht hadden, gingen wy uyt, ende reysden [voort ,] ende sy geleydden ons alle
met vrouwen ende kinderen tot buyten de stadt: ende aen den oever
neder knielende hebben wy gebeden.
6 Ende als wy
malkanderen gegroet hadden, gingen wy in ’t schip: maer sy lieden keerden wederom [elck ]
na het sijne.
7 Wy nu de schipvaert volbracht hebbende van Tyrus, quamen aen tot
Ptolemais, ende de broeders gegroet hebbende, bleven eenen dagh by haer.
8 Ende des anderen [daeghs ,]
Paulus ende wy die met hem waren, gingen van daer ende quamen tot
Cesareen: ende gegaen zijnde in het huys
Philippi
des Euangelists (die [een ] was van de
seven)
bleven wy by hem.
9 Dese nu hadde vier dochters, [noch ] maeghden,
die
propheteerden.
10 Ende als wy [daer ] vele dagen gebleven waren, quam daer een seker Propheet af van Iudea, met name
Agabus:
11 Ende hy quam tot ons, ende nam den gordel Pauli, ende
sijns selfs handen ende voeten gebonden hebbende, seyde, Dit seght de Heylige Geest,
Den man, wiens dese gordel is, sullen de Ioden alsoo te Ierusalem binden, ende overleveren in de handen
der Heydenen.
12 Als wy nu dit hoorden, baden beyde wy ende die van die plaetse waren,
dat hy niet en soude opgaen na Ierusalem.
13 Maer Paulus antwoordde,
Wat doet ghy, dat ghy weent, ende mijn herte
weeck maeckt? Want ick ben bereyt niet alleen gebonden te worden, maer oock te sterven te Ierusalem voor den name des Heeren Iesu.
14 Ende als hy hem niet en liet afraden, hielden wy ons
te vreden, seggende,
De wille des Heeren geschiede.
15 Ende na die dagen
maeckten wy ons gereet, ende gingen op na Ierusalem.
16 Ende met ons gingen oock [sommige ] der discipelen van Cesareen, leydende [met haer ] eenen sekeren Mnason van Cypren, eenen ouden discipel, by den welcken wy souden t’huys liggen.
17 Ende als wy te Ierusalem gekomen waren, ontfingen ons de broeders
blijdelick.
18 Ende den volgenden [dagh ] gingh Paulus met ons in tot
Iacobum: ende alle
de Ouderlingen waren daer gekomen.
19 Ende als hyse gegroet hadde, verhaelde hy
van stuck tot stuck, wat Godt onder de Heydenen door sijnen dienst gedaen hadde.
20 Ende sy [dat ] gehoort hebbende,
loofden den Heere: ende seyden tot hem, Ghy siet, broeder, hoe vele
duysenden van Ioden daer zijn die gelooven: ende sy zijn alle
yveraers van de wet.
21 Ende sy zijn aengaende u
bericht, dat ghy alle de Ioden, die onder de Heydenen zijn, leert van
Moses
afvallen, seggende dat sy de kinderen niet en souden besnijden, noch na
de wijsen [der wet ] wandelen.
22 Wat is’er dan [te doen ?] Het is gantsch noodigh dat
de menighte
te samen kome: want sy sullen hooren dat ghy gekomen zijt.
23 Doet dan het gene wy u seggen:
Wy hebben vier mannen die
een gelofte
gedaen hebben.
24 Neemt dese tot u, ende
heylight u met haer, ende doet
de onkosten nevens haer, op dat sy het hooft bescheeren mogen: ende alle mogen weten datter niet en is aen het gene daer van sy, aengaende u, bericht zijn: maer [dat ] ghy [alsoo ] wandelt, dat ghy oock selve
de wet
onderhoudt.
25 Doch van de Heydenen
die gelooven,
hebben wy
geschreven ende
goet gevonden, dat sy
niet dergelijcks en souden onderhouden,
dan dat sy haer wachten van het gene den afgoden geoffert is, ende
van bloet, ende van het verstickte, ende van hoererije.
26
Doe nam Paulus de mannen met hem, ende den dagh daer aen met haer geheylight zijnde, gingh hy in den tempel, ende
verkondighde
dat de dagen der heyliginge vervult waren, [blijvende daer ] tot dat voor een yegelick van haer
de offerande opgeoffert was.
27
Als nu
de seven dagen souden voleyndight worden, sagen hem de Ioden
van Asien in den tempel, ende
beroerden
alle het volck, ende sloegen de handen aen hem:
28 Roepende, Ghy Israëlitische mannen komet te hulpe: Dese is de mensche die
tegen het volck, ende de wet, ende
dese plaetse alle [man ] over al leert: ende boven dien heeft hy oock
Griecken in den
tempel gebracht, ende heeft dese heylige plaetse
ontheylight.
29 Want sy hadden te voren
Trophimum den Ephesier met hem in de stadt gesien, welcken sy
meynden dat Paulus in den tempel gebracht hadde.
30 Ende
de geheele stadt quam in roere,
ende het volck liep te samen: ende sy grepen Paulum, ende trocken hem
buyten den tempel: ende terstont wierden de deuren gesloten.
31 Ende als sy hem sochten te dooden, quam
het geruchte tot
den Oversten der bende, dat geheel Ierusalem
in verwerringe was.
32 Welcke terstont krijghsknechten ende Hooftmannen over hondert tot hem nam, ende liep af
na haer toe. Sy nu den Oversten ende de krijghsknechten siende, hielden op van Paulum te slaen.
33
Doe naerderde de Overste, ende greep hem, ende beval dat men [hem ] met
twee ketenen soude binden: ende vraeghde wie hy was, ende wat hy gedaen hadde.
34 Ende onder de schare riep [d’eene dit ,] d’andere wat anders: Doch als hy de
sekerheyt niet en konde weten van wegen de beroerte, beval hy dat men hem in de
legerplaetse soude brengen.
35 Ende als hy aen
de trappen gekomen was, gebeurde het dat hy van de krijghsknechten gedragen wiert, van wegen het gewelt der schare.
36 Want de menighte des volcks volghde al roepende,
Wech met hem.
37 Ende als Paulus [nu ] in de legerplaetse soude geleyt worden, seyde hy tot den Oversten,
Is ’t my geoorloft tot u wat te spreken? Ende hy seyde, Kondt ghy
Griecks?
38 Zijt ghy dan niet
de Egyptenaer, die voor dese dagen oproer verweckte, ende
de vier duysent
moordenaers na de woestijne uytleydde?
39 Maer Paulus seyde, Ick ben een Iodisch
man
van Tarsen, een burger van geen onvermaerde stadt
in Cilicien: ende ick bidde u, laet my toe tot het volck te spreken.
40 Ende als hy het toegelaten hadde, Paulus staende op de trappen
wenckte met de hant tot het volck: ende als daer groote stilte geworden was, sprack hyse aen in de Hebreeusche tale, seggende,
Paulus op weg naar Jeruzalem
1 EN als het geschiedde, dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo liepen wij rechtuit en kwamen te Kos, en den dag daaraan te Rhodus, en van daar te Patara.
2 En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in en voeren af.
3 En als wij Cyprus in het gezicht gekregen, en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen.
4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest,
dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
5 Toen het nu geschiedde, dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit, en reisden voort ; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.
6 En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zijlieden keerden wederom, elk naar het zijne.
7 Wij nu, de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemaïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven een dag bij hen.
8 En des anderen daags , Paulus en wij, die met hem waren, gingen van daar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van
Filippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.
9 Deze nu had vier dochters, nog maagden,
die profeteerden.
10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea, met name
Agabus;
11 En hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zichzelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest:
Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.
12 Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van die plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
13 Maar Paulus antwoordde:
Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.
14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende:
De wil des Heeren geschiede.
Paulus te Jeruzalem
15 En na die dagen maakten wij ons gereed, en gingen op naar Jeruzalem.
16 En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesarea, leidende met zich een zekeren Mnason, van Cyprus, een ouden discipel, bij dewelken wij zouden te huis liggen.
17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk.
18 En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen.
19 En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.
20 En zij, dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn, die geloven; en zij zijn allen ijveraars van de wet.
21 En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende: dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen.
22 Wat is er dan te doen? Het is gans nodig, dat de menigte samenkome; want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt.
23 Doe dan hetgeen wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben.
24 Neem dezen tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen; en alle mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij, aangaande u, bericht zijn; maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelve de wet onderhoudt.
25 Doch van de heidenen, die geloven,
hebben wij geschreven en goed gevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden,
dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van
bloed, en van het verstikte, en van hoererij.
Paulus gevangen genomen
26
Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar , totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was.
27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,
28 Roepende: Gij Israëlietische mannen, komt te hulp. Deze is de mens, die tegen het volk, en de wet, en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den tempel gebracht, en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
29 Want zij hadden te voren
Trofimus, den Efeziër, met hem in de stad gezien, welken zij meenden, dat Paulus in den tempel gebracht had.
30 En de gehele stad kwam in roer en het volk liep samen; en zij grepen Paulus, en trokken hem buiten den tempel; en terstond werden de deuren gesloten.
31 En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.
32 Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, den oversten en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.
33
Toen naderde de overste en greep hem, en beval, dat men hem met twee ketenen zou binden; en vraagde, wie hij was, en wat hij gedaan had.
34 En onder de schare riep de ene dit , de andere wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.
35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd vanwege het geweld der schare.
36 Want de menigte des volks volgde, al roepende:
Weg met hem.
37 En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieks?
38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte, en de vier duizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?
39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man
van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.
40 En als hij het toegelaten had, Paulus, staande op de trappen, wenkte met de hand tot het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal, zeggende: