Bildad berispt Iob van veel sprekens, v. 1 etc. van trotsicheyt, 3. van toornicheyt, 4. hy verhaelt de rechtveerdige oordeelen Godts, die over de godtloose vallen, 5. tot verschrickinge toe der nakomelingen, 20. hy besluyt sijn verhael, mits het selve te versekeren, 21.
1 DOe antwoordde Bildad de Suhiter, ende seyde:
2
Hoe lange ist, dat
ghylieden
een eynde van woorden sult maken?
mercket op, ende daer na sullen wy spreken.
3 Waerom worden
wy geachtet,
als beesten, ende zijn
onreyn
in u lieder oogen?
4
O ghy die
sijne ziele verscheurt door sijnen toorn: sal om uwent wille de aerde
verlaten worden? ende sal eene rotse verstelt worden uyt hare plaetse?
5
Ia
het licht der godtloosen sal uytgebluscht worden, ende
de voncke
sijnes vyers en sal niet glinsteren.
6
Het licht sal verduysteren in sijne
tente, ende sijne
lampe sal over hem uytgebluscht worden.
7
De treden sijner macht sullen benauwet worden: ende
sijnen raet sal hem neder-werpen.
8 Want
met sijne voeten sal hy in’t net geworpen worden, ende sal in
het werre-garen wandelen.
9 De strick
sal [hem] by de verssene vatten:
de
struyck-roover sal hem overweldigen.
10 Sijn trouw is in de aerde
verborgen; ende
sijne valle op het padt.
11
De beroeringen sullen hem rontom verschricken: ende hem
verstroyen op sijne voeten.
12 Sijne
macht
sal
hongerich wesen: ende het verderf is bereydt
aen sijne zijde.
13 De
eerst-geboren des doots sal
de grendelen sijnes huyts verteeren, sijne grendelen sal hy verteeren.
14
Sijn
vertrouwen sal uyt sijne tente
uytgeruckt worden:
sulcx sal hem doen treden tot
den Coninck der verschrickingen.
15
Sy sal woonen in sijne tente,
daerse sijne niet en is: sijne wooninge sal met
swevel overstroyt worden.
16
Van onder sullen sijne wortelen verdorren; ende van boven sal sijnen
tack afgesneden worden.
17
Sijne gedachtenisse sal vergaen vander aerde: ende hy en sal geenen name hebben
op de straten.
18 gMen sal hem stooten van het
licht inde
duysternisse, ende men sal hem vande werelt verjagen.
19
Hy en sal geenen sone, nochte
neve hebben onder sijn volck: ende niemant en sal in sijne wooningen overich zijn.
20 Over
sijnen dach sullen de
nakomelingen verbaest zijn; ende
de oude
met schrick bevangen worden.
21 Gewisselick soodanige zijn de wooningen des verkeerden, ende dit is
de plaetse [des genen
die] Godt niet en kent.
© © Nederlands-Vlaams Bijbelgenootschap 2024