Wetten vande Vierdagen, ende Hoochtijden, v. 1, etc. vanden Sabbath, 3. van het Paesschen-feest, 4, 5. met de ceremonien daer in te onderhouden, 9. Van het Pinxter-feest, 15. Van het feest der Trompetten, 24. Van het feest der versoeninge, 27. Van het feest der Loof-hutten, 33.
1 DAerna sprack de HEERE tot Mose, seggende:
2 Spreeckt tot de kinderen Israëls, ende segt tot hen; De gesette Hooch-tijden des HEEREN, dewelcke
ghy-lieden uytroepen sult, sullen
heylige t’ samenroepingen zijn: dese zijn mijne gesette hooch-tijden.
3
Ses dagen salmen
het werck doen, maer op den sevenden dach is de Sabbath der ruste, eene heylige t’ samen-roepinge, geen werck en sult ghy doen: het is des HEEREN Sabbath, in alle uwe wooningen.
4 Dese zijn de gesette Hooch-tijden des HEEREN, de heylige t’ samen-roepingen: dewelcke ghy uytroepen sult op haren gesetten tijt.
5
In de Eerste
maent, op den veertienden der maent,
tusschen twee avonden is des HEEREN
Paeschen.
6 Ende op den vijftienden dach der selver maent is het feest van de ongesuerde [brooden] des HEEREN: seven dagen sult ghy ongesuerde [brooden] eten.
7 Op den
eersten dach sult ghy eene heylige t’ samen-roepinge hebben: geen
dienstwerck en sult ghy doen:
8 Maer ghy sult seven dagen
vyeroffer den HEERE offeren: op den sevenden dach sal eene heylige t’ samen-roepinge wesen, geen dienstwerck en sult ghy doen.
9 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
10 Spreeckt tot de kinderen Israëls, ende segt tot hen: Als ghy in het lant sult gekomen zijn, het welcke ick u geven sal, ende ghy sijnen oogst sult in-oogsten, dan sult ghy een
garve vande eerstelingen uwes oogsts tot den Priesters brengen.
11 Ende hy sal die garve voor het aengesicht des HEEREN bewegen,
op dattet voor u aengenaem zy:
des anderen daechs na den Sabbath sal de Priester die bewegen.
12 Ghy sult oock op den dach als ghy die garve bewegen sult, bereyden een volkomen Lam, dat
een-jarich is, ten brand-offer den HEERE;
13 Ende sijn spijs-offer twee tienden meel-bloeme met olie gemengt ten vyeroffer, den HEERE ten
lieflicken reucke: ende sijn
dranck-offer van wijn, het vierde deel van een
Hin.
14 Ende ghy en sult
geen broot, nochte geroost koorn, nochte groene aren eten, tot op dien selven dach, dat ghy de offerhande uwes Godts sult gebracht hebben: het is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten, in alle uwe wooningen.
15
Daerna sult ghy u tellen van ’s anderen daechs na den Sabbath, vanden dach dat ghy de garve des
beweechoffers sult gebracht hebben: het sullen seven volkomene
Sabbathen zijn.
16 Tot ’s anderen daechs na den sevenden Sabbath sult ghy vijftich dagen tellen: dan sult ghy een
nieuw spijs-offer den HEERE offeren.
17 Ghylieden sult uyt uwe wooningen twee beweech-brooden brengen, sy sullen van twee
tienden meel-bloeme zijn,
gedeessemt sullense gebacken worden: het zijn de
eerstelingen den HEERE.
18 Ghy sult oock met het broot seven volkomene
een-jarige lammeren, ende eenen varre,
het jonck eenes runts, ende twee rammen offeren: sy sullen den HEERE een brand-offer zijn, met haer spijs-offer, ende hare dranck-offeren, een vyeroffer, [ten] lieflicken reucke den HEERE.
19 Oock sult ghy eenen geytenbock ten sond-offer, ende twee een-jarige lammeren ten danck-offer bereyden.
20 Dan sal de Priester de selve
met het broot der eerstelingen [ten] beweech-offer, voor het aengesicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen: sy sullen den HEERE een heylich dinck zijn, voor den Priester.
21 Ende
ghy sult op dien selven dach uytroepen, [dat] ghy eene heylige t’ samenroepinge sult hebben; geen dienstwerck en sult ghy doen: het is eene eeuwige insettinge in alle uwe wooningen voor uwe geslachten.
22
Als ghy nu den oogst uwes lants sult in-oogsten, ghy en sult in u in-oogsten den
hoeck des velts niet gantschelick
afmaeyen, ende
de opsamelinge uwes oogsts niet opsamelen: voor den armen ende voor den vreemdelinck sult ghyse laten: Ick ben de HEERE uwe Godt.
23 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
24 Spreeckt tot de kinderen Israëls, seggende;
Inde
sevende maent, op den eersten der maent, sult ghy eene ruste hebben, eene
gedachtenisse des geklancks, eene heylige t’ samen-roepinge.
25 Geen dienstwerck en sult ghy doen: maer ghy sult den HEERE vyer-offer offeren.
26 Voorder sprack de HEERE tot Mose, seggende:
27
Doch op den tienden deser sevender maent sal de
Versoendach zijn, eene heylige t’ samen-roepinge sult ghy hebben, dan sult ghy
uwe zielen verootmoedigen; ende sult den HEERE een vyer-offer offeren.
28 Ende op dien selven dach en sult ghy geen werck doen: want het is de Versoendach, om over u versoeninge te doen voor het aengesicht des HEEREN uwes Godts.
29 Want
alle ziele, dewelcke op dien selven dach niet en sal verootmoedigt zijn geweest, die sal
uytgeroeyt worden uyt hare volcken.
30 Oock alle ziele, die eenich werck op dien selven dach gedaen sal hebben; die selve ziele sal ick uyt het midden hares volcks verderven.
31 Ghy en sult geen werck doen: ’t is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten, in alle uwe wooningen.
32 Het sal u een Sabbath der ruste zijn, dan sult ghy uwe zielen verootmoedigen: op den negenden der maent
in den avont,
vanden avont tot den avont sult ghy uwen Sabbath rusten.
33 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
34 Spreeckt tot de kinderen Israëls, seggende;
Op den vijftienden dach deser sevender maent, sal het feest der
Loof-hutten seven dagen den HEERE zijn.
35 Op den eersten dach sal eene heylige t’samenroepinge zijn: geen dienst-werck en sult ghy doen.
36 Seven dagen sult ghy den HEERE vyer-offer offeren:
op den achtsten dach sult ghy eene heylige t’ samen-roepinge hebben, ende sult den HEERE vyeroffer offeren, het is een
Verbots-dach, ghy en sult geen dienst-werck doen.
37 Dit zijn de gesette Hoochtijden des HEEREN, dewelcke ghy sult uytroepen, [tot] heylige t’ samen-roepingen: om den HEERE Vyer-offer, Brand-offer, ende Spijs-offer, Slacht-offer, ende Dranck-offeren, elck dagelicx op sijnen dach te offeren.
38 Behalven de Sabbathen des HEEREN, ende behalven uwe gaven, ende behalven alle uwe geloften, ende behalven alle uwe vrywillige offeren, dewelcke ghy den HEERE geven sult.
39 Doch op den vijftienden dach der sevender maent, als ghy het inkomen des lants sult ingegadert hebben, sult ghy des HEEREN feest seven dagen vieren: op den eersten dach salder ruste zijn, ende op den achtsten dach salder ruste zijn.
40 Ende op den eersten dach sult ghy u nemen
tacken van
schoon geboomte,
palmtacken, ende meyen van dichte boomen, met
beeckwilgen: ende sult voor het aengesichte des HEEREN uwes Godts seven dagen vrolick zijn.
41 Ende ghy sult dat feest den HEERE seven dagen inden jare vyeren: het is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten; inde sevende maent sult ghy dat vyeren.
42 Seven dagen sult ghy inde loof-hutten woonen: alle inboorlingen in Israël sullen in loof-hutten woonen:
43 Op dat uwe geslachten weten, dat ick de kinderen Israëls in
loof-hutten hebbe doen woonen, als ick haer uyt Egyptenlant uytgevoert hebbe: Ick ben de HEERE uwe Godt.
44 Alsoo heeft Mose, de gesette Hoochtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uytgesproken.
Wetten vande Vierdagen, ende Hoochtijden, v. 1, etc. vanden Sabbath, 3. van het Paesschen-feest, 4, 5. met de ceremonien daer in te onderhouden, 9. Van het Pinxter-feest, 15. Van het feest der Trompetten, 24. Van het feest der versoeninge, 27. Van het feest der Loof-hutten, 33.
1 DAerna sprack de HEERE tot Mose, seggende:
2 Spreeckt tot de kinderen Israëls, ende segt tot hen; De gesette Hooch-tijden des HEEREN, dewelcke
ghy-lieden uytroepen sult, sullen
heylige t’ samenroepingen zijn: dese zijn mijne gesette hooch-tijden.
3
Ses dagen salmen
het werck doen, maer op den sevenden dach is de Sabbath der ruste, eene heylige t’ samen-roepinge, geen werck en sult ghy doen: het is des HEEREN Sabbath, in alle uwe wooningen.
4 Dese zijn de gesette Hooch-tijden des HEEREN, de heylige t’ samen-roepingen: dewelcke ghy uytroepen sult op haren gesetten tijt.
5
In de Eerste
maent, op den veertienden der maent,
tusschen twee avonden is des HEEREN
Paeschen.
6 Ende op den vijftienden dach der selver maent is het feest van de ongesuerde [brooden] des HEEREN: seven dagen sult ghy ongesuerde [brooden] eten.
7 Op den
eersten dach sult ghy eene heylige t’ samen-roepinge hebben: geen
dienstwerck en sult ghy doen:
8 Maer ghy sult seven dagen
vyeroffer den HEERE offeren: op den sevenden dach sal eene heylige t’ samen-roepinge wesen, geen dienstwerck en sult ghy doen.
9 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
10 Spreeckt tot de kinderen Israëls, ende segt tot hen: Als ghy in het lant sult gekomen zijn, het welcke ick u geven sal, ende ghy sijnen oogst sult in-oogsten, dan sult ghy een
garve vande eerstelingen uwes oogsts tot den Priesters brengen.
11 Ende hy sal die garve voor het aengesicht des HEEREN bewegen,
op dattet voor u aengenaem zy:
des anderen daechs na den Sabbath sal de Priester die bewegen.
12 Ghy sult oock op den dach als ghy die garve bewegen sult, bereyden een volkomen Lam, dat
een-jarich is, ten brand-offer den HEERE;
13 Ende sijn spijs-offer twee tienden meel-bloeme met olie gemengt ten vyeroffer, den HEERE ten
lieflicken reucke: ende sijn
dranck-offer van wijn, het vierde deel van een
Hin.
14 Ende ghy en sult
geen broot, nochte geroost koorn, nochte groene aren eten, tot op dien selven dach, dat ghy de offerhande uwes Godts sult gebracht hebben: het is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten, in alle uwe wooningen.
15
Daerna sult ghy u tellen van ’s anderen daechs na den Sabbath, vanden dach dat ghy de garve des
beweechoffers sult gebracht hebben: het sullen seven volkomene
Sabbathen zijn.
16 Tot ’s anderen daechs na den sevenden Sabbath sult ghy vijftich dagen tellen: dan sult ghy een
nieuw spijs-offer den HEERE offeren.
17 Ghylieden sult uyt uwe wooningen twee beweech-brooden brengen, sy sullen van twee
tienden meel-bloeme zijn,
gedeessemt sullense gebacken worden: het zijn de
eerstelingen den HEERE.
18 Ghy sult oock met het broot seven volkomene
een-jarige lammeren, ende eenen varre,
het jonck eenes runts, ende twee rammen offeren: sy sullen den HEERE een brand-offer zijn, met haer spijs-offer, ende hare dranck-offeren, een vyeroffer, [ten] lieflicken reucke den HEERE.
19 Oock sult ghy eenen geytenbock ten sond-offer, ende twee een-jarige lammeren ten danck-offer bereyden.
20 Dan sal de Priester de selve
met het broot der eerstelingen [ten] beweech-offer, voor het aengesicht des HEEREN, met de twee lammeren bewegen: sy sullen den HEERE een heylich dinck zijn, voor den Priester.
21 Ende
ghy sult op dien selven dach uytroepen, [dat] ghy eene heylige t’ samenroepinge sult hebben; geen dienstwerck en sult ghy doen: het is eene eeuwige insettinge in alle uwe wooningen voor uwe geslachten.
22
Als ghy nu den oogst uwes lants sult in-oogsten, ghy en sult in u in-oogsten den
hoeck des velts niet gantschelick
afmaeyen, ende
de opsamelinge uwes oogsts niet opsamelen: voor den armen ende voor den vreemdelinck sult ghyse laten: Ick ben de HEERE uwe Godt.
23 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
24 Spreeckt tot de kinderen Israëls, seggende;
Inde
sevende maent, op den eersten der maent, sult ghy eene ruste hebben, eene
gedachtenisse des geklancks, eene heylige t’ samen-roepinge.
25 Geen dienstwerck en sult ghy doen: maer ghy sult den HEERE vyer-offer offeren.
26 Voorder sprack de HEERE tot Mose, seggende:
27
Doch op den tienden deser sevender maent sal de
Versoendach zijn, eene heylige t’ samen-roepinge sult ghy hebben, dan sult ghy
uwe zielen verootmoedigen; ende sult den HEERE een vyer-offer offeren.
28 Ende op dien selven dach en sult ghy geen werck doen: want het is de Versoendach, om over u versoeninge te doen voor het aengesicht des HEEREN uwes Godts.
29 Want
alle ziele, dewelcke op dien selven dach niet en sal verootmoedigt zijn geweest, die sal
uytgeroeyt worden uyt hare volcken.
30 Oock alle ziele, die eenich werck op dien selven dach gedaen sal hebben; die selve ziele sal ick uyt het midden hares volcks verderven.
31 Ghy en sult geen werck doen: ’t is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten, in alle uwe wooningen.
32 Het sal u een Sabbath der ruste zijn, dan sult ghy uwe zielen verootmoedigen: op den negenden der maent
in den avont,
vanden avont tot den avont sult ghy uwen Sabbath rusten.
33 Ende de HEERE sprack tot Mose, seggende:
34 Spreeckt tot de kinderen Israëls, seggende;
Op den vijftienden dach deser sevender maent, sal het feest der
Loof-hutten seven dagen den HEERE zijn.
35 Op den eersten dach sal eene heylige t’samenroepinge zijn: geen dienst-werck en sult ghy doen.
36 Seven dagen sult ghy den HEERE vyer-offer offeren:
op den achtsten dach sult ghy eene heylige t’ samen-roepinge hebben, ende sult den HEERE vyeroffer offeren, het is een
Verbots-dach, ghy en sult geen dienst-werck doen.
37 Dit zijn de gesette Hoochtijden des HEEREN, dewelcke ghy sult uytroepen, [tot] heylige t’ samen-roepingen: om den HEERE Vyer-offer, Brand-offer, ende Spijs-offer, Slacht-offer, ende Dranck-offeren, elck dagelicx op sijnen dach te offeren.
38 Behalven de Sabbathen des HEEREN, ende behalven uwe gaven, ende behalven alle uwe geloften, ende behalven alle uwe vrywillige offeren, dewelcke ghy den HEERE geven sult.
39 Doch op den vijftienden dach der sevender maent, als ghy het inkomen des lants sult ingegadert hebben, sult ghy des HEEREN feest seven dagen vieren: op den eersten dach salder ruste zijn, ende op den achtsten dach salder ruste zijn.
40 Ende op den eersten dach sult ghy u nemen
tacken van
schoon geboomte,
palmtacken, ende meyen van dichte boomen, met
beeckwilgen: ende sult voor het aengesichte des HEEREN uwes Godts seven dagen vrolick zijn.
41 Ende ghy sult dat feest den HEERE seven dagen inden jare vyeren: het is eene eeuwige insettinge voor uwe geslachten; inde sevende maent sult ghy dat vyeren.
42 Seven dagen sult ghy inde loof-hutten woonen: alle inboorlingen in Israël sullen in loof-hutten woonen:
43 Op dat uwe geslachten weten, dat ick de kinderen Israëls in
loof-hutten hebbe doen woonen, als ick haer uyt Egyptenlant uytgevoert hebbe: Ick ben de HEERE uwe Godt.
44 Alsoo heeft Mose, de gesette Hoochtijden des HEEREN tot de kinderen Israëls uytgesproken.