Door de gelijckenisse van een nieuwgeboren ende elendichlick verlaten dochterken, etc. stelt Godt den Ioden voor oogen, hare onweerdicheyt, ende sijne bysondere liefde ende weldadicheyt, die hy haer uyt louter genade bewesen heeft, v. 1, 2, 3, etc. Daer tegen hare snoode ondanckbaerheyt ende ontrouwe, bewesen door allerleye grouwelicke afgoderye ende heydensche verbonden, 15. Voorts, de rechtveerdicheyt sijner gestrenge oordeelen over haer, 35. die sy (arger zijnde als hare susters, Sodom ende Samaria) wel verdient hadde, 45. met belofte nochtans vande genadige herstellinge, welcker sy, met de uytverkorene heydenen, in den Messia souden deelachtich worden, 60.
1 VOorder geschiedde des HEEREN woort tot my, seggende:
2 Menschen kint, maeckt
Ierusalem hare
grouwelen bekent:
3 Ende segt, Alsoo seyt de Heere HEERE tot Ierusalem; Uwe
handelingen, ende uwe
geboorten zijn uyt het lant der Canaaniten: u vader was
een Amoriter, ende uwe moeder eene
Hetitische.
4 Ende aengaende uwe geboorten,
ten dage, als ghy geboren waert,
en wiert uwe navel
niet afgesneden; ende ghy en waert niet met water gewasschen
doe ick [u] aenschouwde: ghy en waert oock
geensins met sout gewreven, nochte in windelen gewonden.
5
Geene ooge en hadde medelijden over u, om u een
van dese dingen te doen, om sich over u te erbarmen: maer ghy
zijt geworpen geweest op het vlacke des velts, om de walgelickheyt
van uwe ziele, ten dage, doe ghy geboren waert.
6 Als ick by u voorby ginck, so sach ick u vertreden zijnde
in uwen bloede, ende ick seyde tot u
in uwen bloede,
Leeft;
ja ick seyde tot u in uwen bloede, Leeft.
7 Ick hebbe u tot
tien duysent, als het gewas des velts, gemaeckt; ende ghy zijt gegroeyt, ende groot geworden, ende zijt gekomen tot
groote cierlickheyt: [uwe] borsten zijn vast geworden, ende u hayr is gewassen, doch ghy waert
naeckt, ende bloot.
8 Als ick nu by u voorby ginck, sach ick u, ende siet, uwen tijt was de tijt
der minnen: so
breydde ick mijnen vleugel over u uyt, ende deckte uwe
naecktheyt: ja
ick swoer u, ende quam met u in
een verbont, spreeckt de Heere HEERE, ende ghy wiert mijne.
9 Daer na
wiesch ick u met water, ende ick spoelde
u bloet van u af, ende
salfde u met olye.
10
Ick bekleedde u oock met
gestickt-werck, ende ick schoeyde u met
dassenvellen, ende omgordde u met
fijn linnen, ende bedeckte u met sijde.
11 Oock vercierde ick u met cieraet, ende dede
arm-ringen aen uwe handen, ende een
keten aen uwen
hals.
12 Desgelijcx dede ick een
voorhooftciersel
aen u aengesichte, ende
oor-ringen aen uwe ooren, ende
eene kroone der heerlickheyt op u hooft.
13
So waert ghy verciert met gout, ende silver, ende uwe cleedinge was fijn linnen, ende sijde, ende
gestickt-werck: ghy aett
meel-bloeme, ende honich, ende olye: ende ghy waert
gantsch
seer schoone, ende waert voorspoedich,
dat ghy een Coninckrijck wierdet.
14 Daer toe
ginck van u eenen naem uyt onder de Heydenen om uwe schoonheyt: want die was volmaeckt door mijne
heerlickheyt, die ick op u geleyt hadde, spreeckt de Heere HEERE.
15 Maer ghy hebt
vertrouwt op uwe schoonheyt, ende hebt
gehoereert
van wegen uwen naem: ja hebt uwe hoereryen uytgestort aen een yeder, die voor by ginck; voor hem was
sy.
16 Ende ghy hebt van uwe kleederen genomen, ende u gemaeckt gepleckte
hoochten, ende hebt daer op gehoereert:
[sulcks] en is niet gekomen, ende en sal niet geschieden.
17 Daer toe hebt ghy genomen
de vaten uwes cieraets van
mijn gout ende van mijn silver, dat ick u gegeven hadde; ende ghy hebt u
mans-beelden
gemaeckt: ende ghy hebt met deselve
gehoereert.
18 Ende ghy hebt uwe gestickte kleederen genomen, ende
hebtse bedeckt: ende ghy hebt
mijne olye, ende mijn
reuckwerck voor hare aengesichten gestelt.
19 Ende mijn broot, het welck ick u gaf, meel-bloeme, ende olye, ende honich, [daermede] ick u spijsde, dat hebt ghy oock voor
hare aengesichten gestelt tot eenen
lieflicken reuck; soo ist geschiet: spreeckt de Heere HEERE.
20 Voorder hebt ghy uwe sonen, ende uwe dochteren , die ghy
my gebaert hadt, genomen, ende hebtse
den selven geoffert
om te verteeren:
Ist wat kleyns van uwe hoereryen,
21 Dat ghy mijne kinderen
geslachtet hebt, ende hebtse overgegeven, als ghy de selve
voor hen door [’t vyer] hebt doen gaen?
22 Oock en hebt ghy by alle uwe grouwelen, ende uwe hoereryen niet gedacht aen de dagen
uwer jonckheyt, als
ghy naeckt, ende bloot waert, [als] ghy
vertreden waert in uwen bloede.
23 Het is oock geschiet na alle uwe boosheyt (wee, wee u, spreeckt de Heere HEERE);
24 Dat ghy u een
verwelfsel gebouwt hebt, ende u eene hooge plaetse gemaeckt hebt in elcke strate.
25
Aen elck hooft des wechs hebt ghy uwe hooge plaetse gebouwt, ende hebt uwe schoonheyt grouwelick gemaeckt, ende
hebt met uwe
beenen gegerdet voor een yeder, die voor by ginck, ende hebt uwe hoereryen vermenichvuldicht.
26 Ghy hebt oock
gehoereert met de
kinderen van Egypten uwe nabueren, die
groot van vleesche zijn: ende ghy hebt uwe hoererye vermenichvuldicht, om my tot toorn te verwecken.
27 Siet, daerom
streckte ick mijne hant over u uyt, ende verminderde u
bescheyden-deel: ende ick
gaf u over inden lust der gener, die u haten,
der dochteren
der Philistijnen, die van wegen
uwen schendelicken wech beschaemt waren.
28 Voorder hebt ghy
gehoereert met de
kinderen van Assur, om dat ghy
onversadelick waert: ja, als ghy met hen gehoereert hebt; en zijt ghy oock niet versadicht geworden.
29 Maer ghy hebt uwe hoererye vermenichvuldicht
in’t lant van Canaan tot in Chaldeen: ende daermede oock en zijt ghy niet versadicht geworden.
30 Hoe
swack is u herte (spreeckt de Heere HEERE) als ghy alle dese dingen doet, [zijnde] het werck van eene
heerschende hoerachtige vrouwe?
31 Als ghy u
verwelfsel bouwt
aen het hooft van yeder wech, ende uwe hooge-plaetse maeckt in elcke strate, ende niet en zijt geweest, als
eene hoere, den hoerenloon beschimpende.
32 ô Die
overspelige vrouwe! sy neemt in plaetse van
haren man de
vreemde aen.
33
Men geeft loon aen alle hoeren: maer ghy geeft
uwen loon allen uwen
boelen, ende ghy beschencktse, op datse tot u
van rontom
souden ingaen
om uwe hoereryen.
34 So geschiet met u in uwe hoereryen
het tegendeel
vande wijven ,
dewijle men u niet na en loopt, om te hoereren: want als ghy hoeren-loon geeft, ende het hoerenloon u niet gegeven en wort, so zijt ghy tot een tegendeel geworden.
35 Daerom, ô hoere, hoort des HEEREN woort.
36 Alsoo seyt de Heere HEERE, om dat u
vergift uytgestort is, ende uwe schaemte door uwe hoereryen met
uwe boelen ontdeckt is; ende met alle de dreckgoden
uwer grouwelen; ende nae het
bloet uwer kinderen, dat ghy hen gegeven hebt;
37 Daerom, siet, ick sal alle uwe
boelen vergaderen met de welcke ghy
vermengt zijt geweest, ende alle die ghy lief gehadt hebt, met alle die ghy gehaet hebt: ende ick salse van rontom vergaderen tegen u; ende ick sal voor hen
uwe naecktheyt ontdecken, datse uwe gantsche naecktheyt sien sullen.
38 Daertoe sal ick u [nae]
de rechten der overspeelderssen, ende
der bloetvergieterssen richten: ende ick sal u overgeven
den bloede der grimmicheyt, ende des
yvers.
39 Ende ick sal u in hare hant overgeven, ende sy sullen u verwelfsel afbreken, ende uwe hooge-plaetsen ommewerpen, ende uwe kleederen u uyt trecken, ende uwe
cierlicke juweelen nemen, ende u naeckt, ende bloot laten.
40 Daerna sullen sy tegen u eene vergaderinge doen opkomen, ende sullen u met steenen steenigen, ende u met hare sweerden doorsteken.
41 Sy sullen oock uwe huysen
met
vyer verbranden, ende oordeelen tegen u uytvoeren voor veler
wijven oogen, ende ick sal u doen ophouden van een hoere te zijn; ende ghy en sult oock niet meer hoeren loon geven.
42 So sal ick
mijne grimmicheyt op u doen rusten, ende
mijner yver sal van u afwijcken: ende ick sal stille zijn, ende niet meer toornich wesen.
43 Daerom dat ghy niet gedacht en hebt
aen de dagen uwer jonckheyt, ende my
tot beroeringe geweest zijt niet allen desen: siet, so sal ick oock
uwen wech op [uwen]
cop geven, spreeckt de Heere HEERE; ende ghy en sult
die schendelicke daet niet doen boven alle uwe
grouwelen.
44 Siet, een yeder, die spreeckwoorden gebruyckt, sal van u een
spreeckwoort gebruycken, seggende:
Soo de moeder is, is hare dochter.
45
Ghy zijt de dochter uwer moeder, die de walge hadde
van haren man, ende van hare kinderen: ende ghy zijt de suster
uwer susteren, die de walge gehadt hebben van hare mannen, ende van hare kinderen:
uwe moeder was een Hetitische, ende uw’ vader een Amoriter.
46 Uwe
groote suster nu is Samaria, sy, ende hare
dochteren, de welcke woont
aen uwe slinckerhant: maer uwe suster, die kleynder is dan ghy, die tegen uwe rechterhant woont, is Sodom, ende hare dochteren.
47 Doch ghy en
hebt in hare wegen niet gewandelt, nochte nae hare grouwelen gedaen:
het was wat gerings,
een verdriet: maer ghy hebt’et
meer verdorven, dan sy, in alle uwe
wegen.
48 [Soo waerachtich als] ick leve spreeckt de Heere HEERE, indien Sodom uwe suster, sy met hare dochteren, gedaen heeft gelijck ghy gedaen hebt, ende uwe dochteren
!
49 Siet, dit was de ongerechticheyt uwer suster Sodom: hoochmoet,
satheyt van broot, ende
stille gerustheyt hadde sy, ende hare dochteren; maer sy en sterckte de hant des armen, ende nootdurftigen niet.
50 Ende sy verhieven sich, ende deden
grouwelickheyt
voor mijn aengesichte: daerom
dede ickse wech,
na dat ick’t gesien hadde.
51 Samaria oock en heeft nae de helft uwer sonden
niet gesondicht: ende ghy hebt uwe grouwelen meer dan sy vermenichvuldicht, ende hebt uwe susters
gerechtveerdicht door alle uwe grouwelen die ghy gedaen hebt.
52 Draecht ghy [dan] oock uwe schande, ghy die voor uwe
susteren
geoordeelt hebt, door uwe sonden, die ghy grouwelicker gemaeckt hebt dan sy; sy zijn rechtveerdiger dan ghy: weest ghy dan oock beschaemt: ende draecht uwe schande, om dat ghy uwe
susters gerechtveerdicht hebt.
53 Als ick hare
gevangene wederbrengen sal [namelick] de gevangene van Sodom, ende hare dochteren, ende de
gevangene van Samaria, ende hare dochteren;
dan sal [ick wederbrengen] de gevangene uwer gevanckenissen in’t midden van hen:
54 Op dat ghy uwe schande draecht, ende te schande gemaeckt wort, om al het gene dat ghy gedaen hebt: als ghy
haer
troosten sult.
55 Als uwe susters, Sodom ende hare dochteren sullen wederkeeren tot haren voorigen staet, mitsgaders Samaria, ende hare dochteren, sullen wederkeeren tot haren voorigen staet; sult ghy oock, ende uwe dochteren wederkeeren tot uwen voorigen staet.
56 Ia uwe suster Sodom
en is in uwen mont niet gehoort geweest; ten dage
uwes grooten hoochmoets,
57 Aleer uwe boosheyt
ontdeckt was. Als de tijt was
der versmadinge van de dochteren van Syrien, ende van alle de gene die rontom
dat selve waren,
de dochteren der Philistijnen, die u
verachteden
van rontom,
58 Hebt ghy
uwe schendelicke daden, ende uwe grouwelen gedragen: spreeckt de HEERE.
59 Want alsoo seyt de Heere HEERE;
Ick sal u oock doen gelijck als ghy gedaen hebt, die den
eedt
veracht hebt, brekende het
verbont.
60 Evenwel sal ick
gedachtich wesen mijnes verbonts
met u, inde dagen uwer jonckheyt, eude ick sal met u een
eeuwich verbont oprechten.
61 Dan sult
ghy uwer wegen gedencken ende beschaemt zijn, als ghy
uwe susteren, die grooter zijn dan ghy, met de gene, die kleynder zijn dan ghy,
aennemen sult: want ick sal u de selve geven
tot
dochteren, maer niet uyt
u verbont.
62 Want ick sal mijn
verbont met u
oprechten: ende ghy sult weten, dat ick de HEERE ben:
63 Op dat ghy ’t gedachtich zijt, ende u schaemt, ende
niet meer uwen mont en opent, van wegen uwe schande, wanneer ick
voor u versoeninge doen sal over al ’t gene dat ghy gedaen hebt, spreeckt de Heere HEERE.
Door de gelijckenisse van een nieuwgeboren ende elendichlick verlaten dochterken, etc. stelt Godt den Ioden voor oogen, hare onweerdicheyt, ende sijne bysondere liefde ende weldadicheyt, die hy haer uyt louter genade bewesen heeft, v. 1, 2, 3, etc. Daer tegen hare snoode ondanckbaerheyt ende ontrouwe, bewesen door allerleye grouwelicke afgoderye ende heydensche verbonden, 15. Voorts, de rechtveerdicheyt sijner gestrenge oordeelen over haer, 35. die sy (arger zijnde als hare susters, Sodom ende Samaria) wel verdient hadde, 45. met belofte nochtans vande genadige herstellinge, welcker sy, met de uytverkorene heydenen, in den Messia souden deelachtich worden, 60.
1 VOorder geschiedde des HEEREN woort tot my, seggende:
2 Menschen kint, maeckt
Ierusalem hare
grouwelen bekent:
3 Ende segt, Alsoo seyt de Heere HEERE tot Ierusalem; Uwe
handelingen, ende uwe
geboorten zijn uyt het lant der Canaaniten: u vader was
een Amoriter, ende uwe moeder eene
Hetitische.
4 Ende aengaende uwe geboorten,
ten dage, als ghy geboren waert,
en wiert uwe navel
niet afgesneden; ende ghy en waert niet met water gewasschen
doe ick [u] aenschouwde: ghy en waert oock
geensins met sout gewreven, nochte in windelen gewonden.
5
Geene ooge en hadde medelijden over u, om u een
van dese dingen te doen, om sich over u te erbarmen: maer ghy
zijt geworpen geweest op het vlacke des velts, om de walgelickheyt
van uwe ziele, ten dage, doe ghy geboren waert.
6 Als ick by u voorby ginck, so sach ick u vertreden zijnde
in uwen bloede, ende ick seyde tot u
in uwen bloede,
Leeft;
ja ick seyde tot u in uwen bloede, Leeft.
7 Ick hebbe u tot
tien duysent, als het gewas des velts, gemaeckt; ende ghy zijt gegroeyt, ende groot geworden, ende zijt gekomen tot
groote cierlickheyt: [uwe] borsten zijn vast geworden, ende u hayr is gewassen, doch ghy waert
naeckt, ende bloot.
8 Als ick nu by u voorby ginck, sach ick u, ende siet, uwen tijt was de tijt
der minnen: so
breydde ick mijnen vleugel over u uyt, ende deckte uwe
naecktheyt: ja
ick swoer u, ende quam met u in
een verbont, spreeckt de Heere HEERE, ende ghy wiert mijne.
9 Daer na
wiesch ick u met water, ende ick spoelde
u bloet van u af, ende
salfde u met olye.
10
Ick bekleedde u oock met
gestickt-werck, ende ick schoeyde u met
dassenvellen, ende omgordde u met
fijn linnen, ende bedeckte u met sijde.
11 Oock vercierde ick u met cieraet, ende dede
arm-ringen aen uwe handen, ende een
keten aen uwen
hals.
12 Desgelijcx dede ick een
voorhooftciersel
aen u aengesichte, ende
oor-ringen aen uwe ooren, ende
eene kroone der heerlickheyt op u hooft.
13
So waert ghy verciert met gout, ende silver, ende uwe cleedinge was fijn linnen, ende sijde, ende
gestickt-werck: ghy aett
meel-bloeme, ende honich, ende olye: ende ghy waert
gantsch
seer schoone, ende waert voorspoedich,
dat ghy een Coninckrijck wierdet.
14 Daer toe
ginck van u eenen naem uyt onder de Heydenen om uwe schoonheyt: want die was volmaeckt door mijne
heerlickheyt, die ick op u geleyt hadde, spreeckt de Heere HEERE.
15 Maer ghy hebt
vertrouwt op uwe schoonheyt, ende hebt
gehoereert
van wegen uwen naem: ja hebt uwe hoereryen uytgestort aen een yeder, die voor by ginck; voor hem was
sy.
16 Ende ghy hebt van uwe kleederen genomen, ende u gemaeckt gepleckte
hoochten, ende hebt daer op gehoereert:
[sulcks] en is niet gekomen, ende en sal niet geschieden.
17 Daer toe hebt ghy genomen
de vaten uwes cieraets van
mijn gout ende van mijn silver, dat ick u gegeven hadde; ende ghy hebt u
mans-beelden
gemaeckt: ende ghy hebt met deselve
gehoereert.
18 Ende ghy hebt uwe gestickte kleederen genomen, ende
hebtse bedeckt: ende ghy hebt
mijne olye, ende mijn
reuckwerck voor hare aengesichten gestelt.
19 Ende mijn broot, het welck ick u gaf, meel-bloeme, ende olye, ende honich, [daermede] ick u spijsde, dat hebt ghy oock voor
hare aengesichten gestelt tot eenen
lieflicken reuck; soo ist geschiet: spreeckt de Heere HEERE.
20 Voorder hebt ghy uwe sonen, ende uwe dochteren , die ghy
my gebaert hadt, genomen, ende hebtse
den selven geoffert
om te verteeren:
Ist wat kleyns van uwe hoereryen,
21 Dat ghy mijne kinderen
geslachtet hebt, ende hebtse overgegeven, als ghy de selve
voor hen door [’t vyer] hebt doen gaen?
22 Oock en hebt ghy by alle uwe grouwelen, ende uwe hoereryen niet gedacht aen de dagen
uwer jonckheyt, als
ghy naeckt, ende bloot waert, [als] ghy
vertreden waert in uwen bloede.
23 Het is oock geschiet na alle uwe boosheyt (wee, wee u, spreeckt de Heere HEERE);
24 Dat ghy u een
verwelfsel gebouwt hebt, ende u eene hooge plaetse gemaeckt hebt in elcke strate.
25
Aen elck hooft des wechs hebt ghy uwe hooge plaetse gebouwt, ende hebt uwe schoonheyt grouwelick gemaeckt, ende
hebt met uwe
beenen gegerdet voor een yeder, die voor by ginck, ende hebt uwe hoereryen vermenichvuldicht.
26 Ghy hebt oock
gehoereert met de
kinderen van Egypten uwe nabueren, die
groot van vleesche zijn: ende ghy hebt uwe hoererye vermenichvuldicht, om my tot toorn te verwecken.
27 Siet, daerom
streckte ick mijne hant over u uyt, ende verminderde u
bescheyden-deel: ende ick
gaf u over inden lust der gener, die u haten,
der dochteren
der Philistijnen, die van wegen
uwen schendelicken wech beschaemt waren.
28 Voorder hebt ghy
gehoereert met de
kinderen van Assur, om dat ghy
onversadelick waert: ja, als ghy met hen gehoereert hebt; en zijt ghy oock niet versadicht geworden.
29 Maer ghy hebt uwe hoererye vermenichvuldicht
in’t lant van Canaan tot in Chaldeen: ende daermede oock en zijt ghy niet versadicht geworden.
30 Hoe
swack is u herte (spreeckt de Heere HEERE) als ghy alle dese dingen doet, [zijnde] het werck van eene
heerschende hoerachtige vrouwe?
31 Als ghy u
verwelfsel bouwt
aen het hooft van yeder wech, ende uwe hooge-plaetse maeckt in elcke strate, ende niet en zijt geweest, als
eene hoere, den hoerenloon beschimpende.
32 ô Die
overspelige vrouwe! sy neemt in plaetse van
haren man de
vreemde aen.
33
Men geeft loon aen alle hoeren: maer ghy geeft
uwen loon allen uwen
boelen, ende ghy beschencktse, op datse tot u
van rontom
souden ingaen
om uwe hoereryen.
34 So geschiet met u in uwe hoereryen
het tegendeel
vande wijven ,
dewijle men u niet na en loopt, om te hoereren: want als ghy hoeren-loon geeft, ende het hoerenloon u niet gegeven en wort, so zijt ghy tot een tegendeel geworden.
35 Daerom, ô hoere, hoort des HEEREN woort.
36 Alsoo seyt de Heere HEERE, om dat u
vergift uytgestort is, ende uwe schaemte door uwe hoereryen met
uwe boelen ontdeckt is; ende met alle de dreckgoden
uwer grouwelen; ende nae het
bloet uwer kinderen, dat ghy hen gegeven hebt;
37 Daerom, siet, ick sal alle uwe
boelen vergaderen met de welcke ghy
vermengt zijt geweest, ende alle die ghy lief gehadt hebt, met alle die ghy gehaet hebt: ende ick salse van rontom vergaderen tegen u; ende ick sal voor hen
uwe naecktheyt ontdecken, datse uwe gantsche naecktheyt sien sullen.
38 Daertoe sal ick u [nae]
de rechten der overspeelderssen, ende
der bloetvergieterssen richten: ende ick sal u overgeven
den bloede der grimmicheyt, ende des
yvers.
39 Ende ick sal u in hare hant overgeven, ende sy sullen u verwelfsel afbreken, ende uwe hooge-plaetsen ommewerpen, ende uwe kleederen u uyt trecken, ende uwe
cierlicke juweelen nemen, ende u naeckt, ende bloot laten.
40 Daerna sullen sy tegen u eene vergaderinge doen opkomen, ende sullen u met steenen steenigen, ende u met hare sweerden doorsteken.
41 Sy sullen oock uwe huysen
met
vyer verbranden, ende oordeelen tegen u uytvoeren voor veler
wijven oogen, ende ick sal u doen ophouden van een hoere te zijn; ende ghy en sult oock niet meer hoeren loon geven.
42 So sal ick
mijne grimmicheyt op u doen rusten, ende
mijner yver sal van u afwijcken: ende ick sal stille zijn, ende niet meer toornich wesen.
43 Daerom dat ghy niet gedacht en hebt
aen de dagen uwer jonckheyt, ende my
tot beroeringe geweest zijt niet allen desen: siet, so sal ick oock
uwen wech op [uwen]
cop geven, spreeckt de Heere HEERE; ende ghy en sult
die schendelicke daet niet doen boven alle uwe
grouwelen.
44 Siet, een yeder, die spreeckwoorden gebruyckt, sal van u een
spreeckwoort gebruycken, seggende:
Soo de moeder is, is hare dochter.
45
Ghy zijt de dochter uwer moeder, die de walge hadde
van haren man, ende van hare kinderen: ende ghy zijt de suster
uwer susteren, die de walge gehadt hebben van hare mannen, ende van hare kinderen:
uwe moeder was een Hetitische, ende uw’ vader een Amoriter.
46 Uwe
groote suster nu is Samaria, sy, ende hare
dochteren, de welcke woont
aen uwe slinckerhant: maer uwe suster, die kleynder is dan ghy, die tegen uwe rechterhant woont, is Sodom, ende hare dochteren.
47 Doch ghy en
hebt in hare wegen niet gewandelt, nochte nae hare grouwelen gedaen:
het was wat gerings,
een verdriet: maer ghy hebt’et
meer verdorven, dan sy, in alle uwe
wegen.
48 [Soo waerachtich als] ick leve spreeckt de Heere HEERE, indien Sodom uwe suster, sy met hare dochteren, gedaen heeft gelijck ghy gedaen hebt, ende uwe dochteren
!
49 Siet, dit was de ongerechticheyt uwer suster Sodom: hoochmoet,
satheyt van broot, ende
stille gerustheyt hadde sy, ende hare dochteren; maer sy en sterckte de hant des armen, ende nootdurftigen niet.
50 Ende sy verhieven sich, ende deden
grouwelickheyt
voor mijn aengesichte: daerom
dede ickse wech,
na dat ick’t gesien hadde.
51 Samaria oock en heeft nae de helft uwer sonden
niet gesondicht: ende ghy hebt uwe grouwelen meer dan sy vermenichvuldicht, ende hebt uwe susters
gerechtveerdicht door alle uwe grouwelen die ghy gedaen hebt.
52 Draecht ghy [dan] oock uwe schande, ghy die voor uwe
susteren
geoordeelt hebt, door uwe sonden, die ghy grouwelicker gemaeckt hebt dan sy; sy zijn rechtveerdiger dan ghy: weest ghy dan oock beschaemt: ende draecht uwe schande, om dat ghy uwe
susters gerechtveerdicht hebt.
53 Als ick hare
gevangene wederbrengen sal [namelick] de gevangene van Sodom, ende hare dochteren, ende de
gevangene van Samaria, ende hare dochteren;
dan sal [ick wederbrengen] de gevangene uwer gevanckenissen in’t midden van hen:
54 Op dat ghy uwe schande draecht, ende te schande gemaeckt wort, om al het gene dat ghy gedaen hebt: als ghy
haer
troosten sult.
55 Als uwe susters, Sodom ende hare dochteren sullen wederkeeren tot haren voorigen staet, mitsgaders Samaria, ende hare dochteren, sullen wederkeeren tot haren voorigen staet; sult ghy oock, ende uwe dochteren wederkeeren tot uwen voorigen staet.
56 Ia uwe suster Sodom
en is in uwen mont niet gehoort geweest; ten dage
uwes grooten hoochmoets,
57 Aleer uwe boosheyt
ontdeckt was. Als de tijt was
der versmadinge van de dochteren van Syrien, ende van alle de gene die rontom
dat selve waren,
de dochteren der Philistijnen, die u
verachteden
van rontom,
58 Hebt ghy
uwe schendelicke daden, ende uwe grouwelen gedragen: spreeckt de HEERE.
59 Want alsoo seyt de Heere HEERE;
Ick sal u oock doen gelijck als ghy gedaen hebt, die den
eedt
veracht hebt, brekende het
verbont.
60 Evenwel sal ick
gedachtich wesen mijnes verbonts
met u, inde dagen uwer jonckheyt, eude ick sal met u een
eeuwich verbont oprechten.
61 Dan sult
ghy uwer wegen gedencken ende beschaemt zijn, als ghy
uwe susteren, die grooter zijn dan ghy, met de gene, die kleynder zijn dan ghy,
aennemen sult: want ick sal u de selve geven
tot
dochteren, maer niet uyt
u verbont.
62 Want ick sal mijn
verbont met u
oprechten: ende ghy sult weten, dat ick de HEERE ben:
63 Op dat ghy ’t gedachtich zijt, ende u schaemt, ende
niet meer uwen mont en opent, van wegen uwe schande, wanneer ick
voor u versoeninge doen sal over al ’t gene dat ghy gedaen hebt, spreeckt de Heere HEERE.