Alle de Israeliten vergaderen te Hebron, v. 1, etc. ende salven David tot Coninck over haer, 3. Daerna trecken sy t’samen nae Ierusalem, 4. David overwint die stadt, 5. door Ioab, 6. David gaet op den burcht te Ierusalem woonen, 7. Die stadt wort vernieuwt, 8. David wort dagelicx grooter, 9. Voorder worden verhaelt de Helden, ende voornaemste Overste Davids, ende hare kloecke daden, 10. Als zijn Iasobam, 11. Eleazar, 12. Davids lust om water te mogen drincken uyt den born-put onder de poorte Bethlehems, 17. ’t welck hem die drie Helden halen, doch hy en woudet niet drincken, 18. Abisar is de derde onder die Helden, 20. Benaja verslaet twee Leeuwen, 22. ende eenen grooten Egyptischen man, 23. Helden onder het krijchs-volck, 26.
1
DOe vergaderde sich
gantsch Israël tot David nae Hebron, seggende, Siet,
wy zijn u gebeente ende u vleesch.
2 Selfs oock
te vooren, doe Saul noch Coninck was,
hebt ghy Israël uyt-geleydt, ende ingeleydt: Oock heeft de HEERE uwe Godt tot u geseyt, Ghy sult mijn volck Israël
weyden, ende ghy sult Voorganger zijn van mijn volck Israël.
3 Oock quamen alle Outste in Israël tot den Coninck nae Hebron, ende David maeckte een verbont met haer te Hebron, voor het aengesichte des HEEREN: Ende sy salfden David ten Coninck over Israël,
nae het woort des HEEREN
door den dienst Samuels.
4 Ende David tooch henen, ende
gantsch Israël, nae Ierusalem, welcke is Iebus:
want daer waren de Iebusiten de inwoonders des lants.
5 Ende de inwoonders van Iebus seyden tot David, Ghy en sult hier niet inkomen: David dan noch wan
de burcht Zions, welcke is de Stadt Davids.
6 Want David seyde, Al die de Iebusiten ten eersten slaet, sal tot
een Hooft, ende tot een Overste worden: Doe beklomse Ioab de sone Zeruja ten eersten, daerom wert hy tot een Hooft.
7 David nu woonde op de burcht, daerom hietmense de Stadt Davids.
8 Ende hy bouwde de Stadt rontom, van Millo af, ende rontom henen: Ende Ioab
vernieuwde het overige der stadt.
9 Ende David
ginck geduerichlick voort, ende wert groot, want de HEERE der heyrscharen was met hem.
10 Dese
nu waren de hoofden der helden, die David hadde, die haer dapper by hem gedragen hebben
in sijn Coninckrijck by geheel Israël,
om hem Coninck te maken,
nae het woort des HEEREN over Israël.
11
Dese nu zijn van het getal der helden die David hadde:
Iasobam de sone Hachmoni was het hooft der dertigen, die sijn spiesse tegens drie hondert opheffende, versloechse op een mael.
12 Ende na hem was Eleazar de sone Dodo de Ahohiter: hy was
onder die drye helden.
13 Hy was met David te
Pas-Dammim,
als de Philistijnen daer ten strijde vergadert waren, ende het stuck des ackers vol gerste was, ende het volck voor het aengesichte der Philistijnen vloodt.
14 Ende
sy stelden sich in’t midden van dat stuck ende beschermden’t, ende sy sloegen de Philistijnen: Ende de HEERE verlostese door een groote verlossinge.
15 Ende
drye uyt de dertich hoofden togen af nae den rotzsteen tot David in de speloncke Adullam: ende het leger der Philistijnen hadde sich gelegert in het dal Rephaim.
16 Ende David was doe in de vestinge: Ende de besittinge der Philistijnen was doe te Bethlehem.
17 Ende David kreech lust ende seyde:
Wie sal my water te drincken geven uyt Bethlehems bornput die onder de poorte is?
18 Doe braken die drie door het leger der Philistijnen, ende
putteden water uyt Bethlehems born-put die onder de poorte is, ende sy droegen’t ende brachten’t tot David: Doch David en wildet niet drincken, maer hy goot het uyt
voor den HEERE.
19 Ende hy seyde,
Dat late mijn Godt verre van my zijn, van sulcx te doen:
soude ick het bloet deser mannen drincken?
met perijckel hares levens, ja
met perijckel hares levens hebben sy dat gebracht: ende hy en wilde het niet drincken: Dit deden de drie helden.
20 Abisai nu de broeder Ioabs, die was oock het hooft van
drien, ende hy verheffende sijn spiesse tegen drie hondert, versloechse: Also
hadde hy eenen name onder die drie.
21 Uyt die drie was hy ge-eert boven de twee, daerom wert hy hen tot een Overste:
Maer hy en quam tot aen die [eerste] drie niet.
22 Benaja de sone van Iojada, eenes dapperen mans sone, van
Kabzeël was groot van daden:
Hy versloech twee stercke
leeuwen van Moab: Oock ginck hy af, ende versloech eenen leeuw
in het midden des cuyls
ter sneeuw-tijt.
23 Hy versloech oock eenen Egyptischen man,
eenen man van groote lengte, van
vijf ellen, ende die Egyptenaer hadde een spiesse in de hant, als
een wevers-boom; maer hy ginck tot hem af met
eenen staf, ende hy ruckte de spiesse uyt de hant des Egyptenaers, ende
hy doode hem met sijne [eygene] spiesse.
24 Dese dingen dede Benaja de sone Iojada: dies hadde
hy eenen name onder
die drie helden.
25 Siet hy was de heerlickste van
die dertich, nochtans en quam hy tot aen
de drie niet: Ende David stelde hem over
sijne Trauwanten.
26
De helden nu der heyren waren Asahel, de broeder Ioabs,
Elhanan de sone van Dodo van Beth-lehem.
27 Sammoth de Haroditer, Helez de Peloniter.
28 Ira de sone Ikkes de Tekoiter, Abiezer de Anthothiter.
29 Sibbechai de Husathiter, Ilai de Ahohiter.
30 Maharai de Netophathiter, Heled de sone Baana de Netophathiter.
31 Ithai de sone Ribai van Gibea der kinderen Benjamins: Benaja de Pirhathoniter.
32 Hurai
van de beken Gaas, Abiël de Arbathiter.
33 Azmaveth de Baharumiter, Eljahba de Saalboniter.
34 [Van] de kinderen Hasems des Gizoniters was Ionathan de sone van Sage de Harariter.
35 Ahiam de sone Sachar de Harariter, Eliphal de sone Ur.
36 Hepher de Mecheratiter, Ahija de Peloniter.
37 Hezro de Carmeliter, Naarai de sone Ezbai.
38 Ioël de broeder Nathans, Mibhar de sone van Geri.
39 Zelek de Ammoniter, Nahrai de Berothiter, wapen-drager Ioabs des soons Zeruja.
40 Ira de Ithriter, Gareb de Ithriter.
41 Urija de Hethiter, Zabad de sone Ahlai.
42 Adina de sone Siza de Rubeniter was het hooft der Rubeniten,
nochtans warender dertich boven hem.
43 Hanan de sone Maacha, ende Iosaphat de Mithniter.
44 Ussija de Asteratiter: Sania, ende Ieiël de sone Hothams, des Aroëriters.
45 Iediaël de sone Simri, ende Ioha sijn broeder de Tiziter.
46 Eliël Hammahavim, ende Ieribai, ende Iosavja de sonen Elnaams: ende Ithma de Moabiter.
47 Eliël ende Obed, ende Iaasiël van Mezobaja.
Alle de Israeliten vergaderen te Hebron, v. 1, etc. ende salven David tot Coninck over haer, 3. Daerna trecken sy t’samen nae Ierusalem, 4. David overwint die stadt, 5. door Ioab, 6. David gaet op den burcht te Ierusalem woonen, 7. Die stadt wort vernieuwt, 8. David wort dagelicx grooter, 9. Voorder worden verhaelt de Helden, ende voornaemste Overste Davids, ende hare kloecke daden, 10. Als zijn Iasobam, 11. Eleazar, 12. Davids lust om water te mogen drincken uyt den born-put onder de poorte Bethlehems, 17. ’t welck hem die drie Helden halen, doch hy en woudet niet drincken, 18. Abisar is de derde onder die Helden, 20. Benaja verslaet twee Leeuwen, 22. ende eenen grooten Egyptischen man, 23. Helden onder het krijchs-volck, 26.
1
DOe vergaderde sich
gantsch Israël tot David nae Hebron, seggende, Siet,
wy zijn u gebeente ende u vleesch.
2 Selfs oock
te vooren, doe Saul noch Coninck was,
hebt ghy Israël uyt-geleydt, ende ingeleydt: Oock heeft de HEERE uwe Godt tot u geseyt, Ghy sult mijn volck Israël
weyden, ende ghy sult Voorganger zijn van mijn volck Israël.
3 Oock quamen alle Outste in Israël tot den Coninck nae Hebron, ende David maeckte een verbont met haer te Hebron, voor het aengesichte des HEEREN: Ende sy salfden David ten Coninck over Israël,
nae het woort des HEEREN
door den dienst Samuels.
4 Ende David tooch henen, ende
gantsch Israël, nae Ierusalem, welcke is Iebus:
want daer waren de Iebusiten de inwoonders des lants.
5 Ende de inwoonders van Iebus seyden tot David, Ghy en sult hier niet inkomen: David dan noch wan
de burcht Zions, welcke is de Stadt Davids.
6 Want David seyde, Al die de Iebusiten ten eersten slaet, sal tot
een Hooft, ende tot een Overste worden: Doe beklomse Ioab de sone Zeruja ten eersten, daerom wert hy tot een Hooft.
7 David nu woonde op de burcht, daerom hietmense de Stadt Davids.
8 Ende hy bouwde de Stadt rontom, van Millo af, ende rontom henen: Ende Ioab
vernieuwde het overige der stadt.
9 Ende David
ginck geduerichlick voort, ende wert groot, want de HEERE der heyrscharen was met hem.
10 Dese
nu waren de hoofden der helden, die David hadde, die haer dapper by hem gedragen hebben
in sijn Coninckrijck by geheel Israël,
om hem Coninck te maken,
nae het woort des HEEREN over Israël.
11
Dese nu zijn van het getal der helden die David hadde:
Iasobam de sone Hachmoni was het hooft der dertigen, die sijn spiesse tegens drie hondert opheffende, versloechse op een mael.
12 Ende na hem was Eleazar de sone Dodo de Ahohiter: hy was
onder die drye helden.
13 Hy was met David te
Pas-Dammim,
als de Philistijnen daer ten strijde vergadert waren, ende het stuck des ackers vol gerste was, ende het volck voor het aengesichte der Philistijnen vloodt.
14 Ende
sy stelden sich in’t midden van dat stuck ende beschermden’t, ende sy sloegen de Philistijnen: Ende de HEERE verlostese door een groote verlossinge.
15 Ende
drye uyt de dertich hoofden togen af nae den rotzsteen tot David in de speloncke Adullam: ende het leger der Philistijnen hadde sich gelegert in het dal Rephaim.
16 Ende David was doe in de vestinge: Ende de besittinge der Philistijnen was doe te Bethlehem.
17 Ende David kreech lust ende seyde:
Wie sal my water te drincken geven uyt Bethlehems bornput die onder de poorte is?
18 Doe braken die drie door het leger der Philistijnen, ende
putteden water uyt Bethlehems born-put die onder de poorte is, ende sy droegen’t ende brachten’t tot David: Doch David en wildet niet drincken, maer hy goot het uyt
voor den HEERE.
19 Ende hy seyde,
Dat late mijn Godt verre van my zijn, van sulcx te doen:
soude ick het bloet deser mannen drincken?
met perijckel hares levens, ja
met perijckel hares levens hebben sy dat gebracht: ende hy en wilde het niet drincken: Dit deden de drie helden.
20 Abisai nu de broeder Ioabs, die was oock het hooft van
drien, ende hy verheffende sijn spiesse tegen drie hondert, versloechse: Also
hadde hy eenen name onder die drie.
21 Uyt die drie was hy ge-eert boven de twee, daerom wert hy hen tot een Overste:
Maer hy en quam tot aen die [eerste] drie niet.
22 Benaja de sone van Iojada, eenes dapperen mans sone, van
Kabzeël was groot van daden:
Hy versloech twee stercke
leeuwen van Moab: Oock ginck hy af, ende versloech eenen leeuw
in het midden des cuyls
ter sneeuw-tijt.
23 Hy versloech oock eenen Egyptischen man,
eenen man van groote lengte, van
vijf ellen, ende die Egyptenaer hadde een spiesse in de hant, als
een wevers-boom; maer hy ginck tot hem af met
eenen staf, ende hy ruckte de spiesse uyt de hant des Egyptenaers, ende
hy doode hem met sijne [eygene] spiesse.
24 Dese dingen dede Benaja de sone Iojada: dies hadde
hy eenen name onder
die drie helden.
25 Siet hy was de heerlickste van
die dertich, nochtans en quam hy tot aen
de drie niet: Ende David stelde hem over
sijne Trauwanten.
26
De helden nu der heyren waren Asahel, de broeder Ioabs,
Elhanan de sone van Dodo van Beth-lehem.
27 Sammoth de Haroditer, Helez de Peloniter.
28 Ira de sone Ikkes de Tekoiter, Abiezer de Anthothiter.
29 Sibbechai de Husathiter, Ilai de Ahohiter.
30 Maharai de Netophathiter, Heled de sone Baana de Netophathiter.
31 Ithai de sone Ribai van Gibea der kinderen Benjamins: Benaja de Pirhathoniter.
32 Hurai
van de beken Gaas, Abiël de Arbathiter.
33 Azmaveth de Baharumiter, Eljahba de Saalboniter.
34 [Van] de kinderen Hasems des Gizoniters was Ionathan de sone van Sage de Harariter.
35 Ahiam de sone Sachar de Harariter, Eliphal de sone Ur.
36 Hepher de Mecheratiter, Ahija de Peloniter.
37 Hezro de Carmeliter, Naarai de sone Ezbai.
38 Ioël de broeder Nathans, Mibhar de sone van Geri.
39 Zelek de Ammoniter, Nahrai de Berothiter, wapen-drager Ioabs des soons Zeruja.
40 Ira de Ithriter, Gareb de Ithriter.
41 Urija de Hethiter, Zabad de sone Ahlai.
42 Adina de sone Siza de Rubeniter was het hooft der Rubeniten,
nochtans warender dertich boven hem.
43 Hanan de sone Maacha, ende Iosaphat de Mithniter.
44 Ussija de Asteratiter: Sania, ende Ieiël de sone Hothams, des Aroëriters.
45 Iediaël de sone Simri, ende Ioha sijn broeder de Tiziter.
46 Eliël Hammahavim, ende Ieribai, ende Iosavja de sonen Elnaams: ende Ithma de Moabiter.
47 Eliël ende Obed, ende Iaasiël van Mezobaja.