1 Inde Gemeynte van Antiochien ontstaet verschil, aengaende de onderhoudinge der Besnijdenisse ende der Wet Mosis. 2 Waer over Paulus ende Barnabas nae Ierusalem gesonden worden. 3 daer sy bekeeringe der Heydenen ende de gelegentheyt der sake verhalen. 6 De Apostelen ende Ouderlingen komen te samen om hier van te handelen. 7 Petrus verklaert in de selve vergaderinge, dat de Heydenen met het jock der Wet niet en behooren beswaert te worden. 13 Het selve stemt Iacobus toe, ende bevestight het uyt de Heylige Schrifture. 19 ende besluyt datmen haer niet meer en behoort op te leggen, dan de onderhoudinge van vier noodige dingen. 22 ’t welck by de gantsche vergaderinge goetgevonden zijnde, aen de Gemeynten geschreven, ende beneffens Paulum ende Barnabam, door Barsabam ende Silam over-gesonden ende bekent gemaeckt wort. 31 die ’t selve met blijdschap aengenomen hebben. 36 Paulus ende Barnabas, om Ioannis Marci wille in twistinge geraeckt zijnde, scheyden van malkanderen. 39 Barnabas ende Marcus nae Cypren. 40 ende Paulus met Silas nae Syrien ende Cilicien.
1 ENde
sommige, die afgekomen waren
van Iudea, leerden de broederen, [seggende ],
Indien
ghy niet besneden en wort
na de wijse Mosis, so en kondt ghy niet saligh worden.
2 Als’er dan geen kleyne
wederstandt ende
twistinge geschiedde by
Paulus ende Barnabas tegen haer, so hebben
sy geordineert
dat Paulus ende Barnabas, ende eenige andere uyt haer, souden opgaen
tot de Apostelen ende Ouderlingen na Ierusalem, over dese
vrage.
3 Sy dan
van de Gemeynte uytgeleydt zijnde, reysden door Phenicien ende Samarien, verhalende
de bekeeringe der Heydenen: ende
deden alle den broederen groote blijdschap aen.
4 Ende te Ierusalem gekomen zijnde, wierden sy ontfangen van de Gemeynte, ende de Apostelen, ende de Ouderlingen: ende sy verkondighden wat groote dingen Godt
met haer gedaen hadde.
5 Maer,
[seyden sy ], daer zijn sommige opgestaen van die van de
secte der Phariseen,
die geloovigh zijn geworden, seggende, datmen
haer moet besnijden, ende gebieden
de Wet Mosis te onderhouden.
6 Ende de Apostelen ende de Ouderlingen
vergaderden te samen
om op dese saecke te letten.
7 Ende als [daer over ] groote 21twistinge geschiedde, stondt Petrus op ende seyde tot haer,
Mannen broeders, ghy weet dat Godt van
overlangen tijdt onder ons [my ] verkoren heeft, dat de Heydenen door mijnen mondt het woort des Euangeliums souden hooren, ende gelooven.
8 Ende Godt
de kenner der herten heeft haer
getuygenisse gegeven, haer gevende
den heyligen Geest gelijck als oock ons.
9
Ende en heeft
geen onderscheyt gemaeckt tusschen ons ende haer, gereynight hebbende hare herten door het geloove.
10 Nu dan, wat versoeckt ghy Godt,
om
een jock op den hals der Discipelen te leggen, ’t welck noch onse Vaders, noch wy en hebben konnen
dragen?
11
Maer wy gelooven door
de genade des Heeren Iesu Christi saligh te worden, op sulcke wijse als oock
sy.
12 Ende alle
de menichte
sweech stil, ende hoorden Barnabam ende Paulum verhalen wat groote teeckenen ende wonderen Godt door haer onder de Heydenen gedaen hadde.
13 Ende na dat
dese swegen,
antwoordde
Iacobus, seggende, Mannen broeders hoort my.
14
Symeon heeft verhaelt hoe Godt
eerst de Heydenen heeft
besocht, om uyt [haer ] een volck aen te nemen
voor sijnen name.
15 Ende hier mede stemmen over een de woorden der Propheten: gelijck geschreven is,
16
Na desen sal ick weder-keeren, ende weder op bouwen
den tabernakel Davids, die vervallen is, ende ’t gene daer van
verbroken is weder-op-bouwen, ende ick sal den selven weder op rechten:
17 Op dat de
overblijvende menschen den Heere soecken, ende alle de Heydenen, over welcke mijnen naem
aengeroepen is: spreeckt de Heere, die dit alles doet.
18 Gode zijn alle sijne wercken
van eewicheyt bekent.
19 Daerom
oordeele ick, datmen den genen, die uyt de Heydenen haer tot Godt bekeeren, niet en
beroere.
20 Maer haer sal aenschrijven, dat sy haer onthouden
van de dingen
die door de afgoden besmet zijn, ende
van
hoererye, ende van het
verstickte, ende
van
bloedt.
21 Want Moses heefter van ouden
tijden in elcke stadt die hem prediken, ende
hy wordt op elcken Sabbath inde Synagogen gelesen.
22 Doe heeft het den Apostelen ende den Ouderlingen,
met de geheele Gemeynte, goet gedocht, [eenige ] mannen uyt haer te verkiesen, ende met Paulo ende Barnaba te senden na Antiochien: [namelick ] Iudam, die toegenaemt wort Barsabas, ende
Silam: mannen die
voorgangers waren onder de broeders:
23 Ende schreven
door haer dit [navolgende ]. De Apostelen, ende de Ouderlingen, ende
de broeders [wenschen ] den broederen uyt de Heydenen, die in Antiochien en Syrien, ende Cilicien zijn,
salicheyt.
24 Nademael wy gehoort hebben
dat sommige,
die van ons uytgegaen zijn, u met woorden ontroert hebben, ende uwe zielen
wanckelende gemaeckt, seggende dat ghy moet besneden worden, ende de
Wet onderhouden: welcken wy [dat ]
niet bevolen en hadden.
25 So heeft het ons eendrachtelick te samen zijnde goet gedacht eenige mannen te verkiesen, ende tot u te senden, met onse geliefde Barnaba ende Paulo,
26 Menschen
die hare zielen
overgegeven hebben voor den name onses Heeren Iesu Christi.
27 Wy hebben dan Iudam ende Silam gesonden, die oock
met den monde het selve sullen vercondigen.
28 Want het heeft den heyligen Geest ende
ons goet gedocht u lieden
geenen meerderen last op te leggen dan dese
noodsaeckelicke dingen:
29 [Namelick ]
dat ghy u onthoudet van
’t gene den afgoden geoffert is, ende
van bloedt, ende van het verstickte, ende van
hoererye: van welcke dingen indien ghy u selven wacht, so sult ghy
wel doen.
Vaert wel.
30 Dese dan, haer afscheydt ontfangen hebbende, quamen te Antiochien: ende
de menichte vergadert hebbende, gaven sy den brief over.
31 Ende sy [dien ] gelesen hebbende verblijdden haer over de
vertroostinge.
32 Iudas nu ende Silas, die oock selve
Propheten waren,
vermaenden de broeders met vele woorden, ende
versterckten’se.
33 Ende als sy [daer ]
eenen tijt [lanck ]
vertoeft hadden, lieten haer de broeders [wederom ] gaen
met vrede,
tot de Apostelen.
34 Maer het docht Sile goet aldaer te blijven.
35 Ende Paulus ende Barnabas
onthielden haer tot Antiochien, leerende ende
vercondigende met noch vele andere het woort des Heeren.
36 Ende na eenige dagen seyde Paulus tot Barnabam, Laet ons nu wederkeeren, ende besoecken onse broeders in elcke stadt, in welcke wy het woordt des Heeren vercondight hebben,
hoe sy haer hebben.
37 Ende Barnabas
riedt dat sy Ioannem, die genaemt is
Marcus, souden mede nemen.
38 Maer Paulus
achtede billick datmen dien niet en soude mede nemen, die van Pamphylien aen van haer was
afgeweecken, ende met haer niet en was gegaen tot
dat werck.
39 Daer ontstont dan eene
verbitteringe, aloo dat sy van malcanderen gescheyden zijn, ende dat Barnabas Marcum mede nam, ende na Cypren afscheepte:
40 Maer Paulus
verkoos Silam, ende reysde henen, der genade Godts van de Broederen
bevolen zijnde.
41 Ende hy doorreysde Syrien ende Cilicien, versterckende
de Gemeynten.
De vergadering te Jeruzalem
1 EN sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende:
Indien gij niet besneden wordt
naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden.
2 Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd,
dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen, zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.
3 Zij dan, van de Gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samaria, verhalende de bekering der heidenen; en deden al den broederen grote blijdschap aan.
4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de Gemeente, en de apostelen, en de ouderlingen; en zij verkondigden, wat grote dingen God met hen gedaan had.
5 Maar, zeiden zij , er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der farizeeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.
6 En de apostelen en de ouderlingen vergaderden te zamen, om op deze zaak te letten.
7 En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen:
Mannen broeders, gij weet, dat God van over langen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven.
8 En God,
de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest, gelijk als ook ons;
9
En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof.
10 Nu dan, wat verzoekt gij God,
om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
11
Maar wij geloven, door de genade van den Heere Jezus Christus, zalig te worden, op zulke wijze als ook zij.
12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.
13 En nadat deze zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.
14 Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen door Zijn Naam.
15 En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is:
16
Na dezen zal Ik wederkeren, en weder opbouwen den tabernakel van David, die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is, weder opbouwen, en Ik zal denzelven weder oprichten,
17 Opdat de overblijvende mensen den Heere zoeken, en al de heidenen, over welken Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Heere, Die dit alles doet.
18 Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
19 Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God bekeren, niet beroere;
20 Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden
van de dingen, die door de afgoden besmet zijn, en
van hoererij, en van het verstikte, en
van bloed.
21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad, die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de synagogen gelezen.
22 Toen heeft het den apostelen en den ouderlingen, met de gehele Gemeente, goed gedacht, enige mannen uit zich te verkiezen, en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië: namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas, mannen, die voorgangers waren onder de broeders.
23 En zij schreven door hen dit navolgende: De apostelen, en de ouderlingen, en de broeders wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië, en Syrië, en Cilicië zijn, zaligheid.
24 Nademaal wij gehoord hebben,
dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw zielen wankelende gemaakt, zeggende, dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden; welken wij dat niet bevolen hadden;
25 Zo heeft het ons eendrachtelijk te zamen zijnde, goed gedacht, enige mannen te verkiezen, en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus.
26 Mensen,
die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam van onzen Heere Jezus Christus.
27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met den mond hetzelfde zullen verkondigen.
28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:
29 Namelijk ,
dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en
van bloed, en van het verstikte, en van
hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen. Vaart wel.
30 Dezen dan, hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.
31 En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.
32 Judas nu en Silas, die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten hen.
33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen.
34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.
Paulus en Barnabas scheiden
35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochië, lerende en verkondigende met nog vele anderen, het Woord des Heeren.
36 En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeren, en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.
37 En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is
Marcus, zouden medenemen.
38 Maar Paulus achtte billijk, dat men dien niet zoude medenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.
39 Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Marcus medenam, en naar Cyprus afscheepte;
40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde.
41 En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de Gemeenten.