1 Een Engel komt af uyt den Hemel. 2 Die op een nieuw den val verkondight van de groote Babylon, om hare hoererye ende weelde. 4 Waer over ’t volck Godts vermaent wort uyt haer te gaen. 6 ende belast wort datmen haer dobbel vergelde. 7 Ende hoewel sy roemt datse geen weduwe zijn en sal, so sullen nochtans hare plagen seffens over haer komen. 9 De Coningen der aerde bedrijven rouwe over haren val. 11 gelijck oock de kooplieden, die allerhande kostelicke waren in haer hadden geveylt. 17 Desgelijcks de stierluyden ende de zee-luyden. 20 Maer daer tegen wort den Hemel met de Heylige Apostelen ende Propheten vermaent om vreughd te bedrijven. 21 Eenen stercken Engel werpt eenen seer grooten steen inde zee, om den eyndelicken val van dese groote Babylon af te beelden. 22 ende verklaert dat geene instrumenten van vreughde in haer meer en sullen gehoort worden. 23 om dat sy alle volckeren hadde verleydt, ende het bloedt der Heylige in haer is gevonden.
1 ENde
na desen sagh ick
eenen anderen Engel afkomen uyt den Hemel,
hebbende groote macht, ende de aerde is verlicht geworden van sijne heerlickheyt.
2 Ende hy riep krachtelick met een groote stemme seggende,
Sy is gevallen, sy is ghevallen, de groote Babylon, ende is gheworden
een woonstede der Duyvelen, ende een bewaer-plaetse van alle onreyne gheesten, ende een bewaer-plaetse van alle onreyn ende hatelijck
gevogelte.
3 Dewijle uyt den
wijn des toorns harer
hoererie alle volckeren gedroncken hebben,
ende de Coningen der aerde met haer gehoereert hebben, ende
de koop-luyden der aerde rijck zijn geworden uyt de kracht harer weelde.
4 Ende ick hoorde
een andere stemme uyt den hemel, seggende,
Gaet uyt van haer mijn volck,
op dat ghy aen hare sonden geen ghemeynschap en hebt, ende op dat ghy van hare plaghen niet en ontfanght.
5 Want hare sonden zijn
[d’een op d’andere ] gevolght tot den hemel toe, ende Godt is harer ongerechticheden
ghedachtigh geworden.
6
Vergeldet haer gelijck als sy u lieden vergolden heeft, ende
verdubbelt haer dubbel, na hare wercken : in den drinck-beker
daer in sy geschoncken heeft, schencket haer dubbel.
7 So veel als sy haer selven verheerlickt heeft, ende weelde ghehadt heeft, so groote pijninge ende rouwe doet haer aen. Want sy seght in haer herte,
Ick sitte [als ] een Coninginne, ende en ben geen weduwe, ende en sal geenen rouwe sien.
8
Daerom sullen hare plaghen
op eenen dagh komen, [namelick ] doodt, ende rouwe, ende honger, ende sy sal
met vyer verbrant worden:
want sterck is de Heere Godt, die haer oordeelt.
9
Ende de Coninghen der aerde,
die met haer ghehoereert, ende weelde gehadt hebben, sullense beweenen, ende
rouwe over haer bedrijven, wanneer sy
den roock hares brants sullen sien:
10
Van verre staende uyt vreese van hare pijninge, seggende,
Wee, wee, de groote stadt Babylon, de stercke stadt! want uw’ oordeel is
in een uyre gekomen.
11 Ende de koop-lieden der aerde sullen weenen, ende rouwe maken over haer, om dat niemandt
hare ware meer en koopt:
12
Ware van goudt, ende van silver, ende van kostelick gesteente, ende van peerlen, ende van fijn-lijnwaet, ende van purper, ende van zijde, ende van scharlaken: ende allerley
wel-rieckent hout, ende allerley yvooren vaten, ende allerley vaten van het kostelickste hout, ende van koper, ende van yser, ende van marmersteen:
13 Ende canneel, ende reuckwerck, ende wel-rieckende salve, ende wieroock, ende wijn, ende olye, ende meelbloeme, ende tarwe, ende last-beesten, ende schapen: ende van peerden, ende van
koets-wagenen, ende
van lichamen, ende
de zielen der menschen.
14 Ende
de vrucht der begeerlickheyt uwer ziele is van u wech gegaen: ende al dat lecker, ende dat heerlijck was is van u wech gegaen, ende ghy en sult dat selve niet meer vinden.
15
De kooplieden deser dingen, die rijck geworden waren van haer, sullen van verre staen
uyt vreese van hare pijninge, weenende, ende rouwe makende:
16 Ende segghende, Wee, wee, de groote Stadt,
die bekleedt was met fijn lijnwaet, ende purper, ende scharlaken, ende
verciert met goudt, ende [met ] kostelick gesteente, ende [met ] peerlen: want in eene uyre is soo grooten rijckdom verwoest.
17 Ende
alle stierlieden, ende alle het volck op de schepen, ende
boots-gesellen, ende
alle die ter zee handelen, stonden van verre:
18 Ende riepen, siende
den roock van haren brandt, [ende ] seggende,
Wat [stadt ] was dese groote stadt gelijck?
19 Ende
sy wierpen stof op hare hoofden, ende riepen, weenende, ende rouwe bedrijvende: seggende, Wee, wee, de groote stadt, in dewelcke alle, die schepen in de zee hadden, van hare kostelickheyt rijck geworden zijn, want sy is in eene uyre verwoest geworden.
20
Bedrijft vreughde over haer ghy hemel, ende
ghy heylige Apostelen ende ghy Propheten, want Godt heeft
uw’ oordeel
aen haer geoordeelt.
21 Ende
een sterck Engel hief eenen steen op als eenen grooten meulen steen, ende wierp [dien ] in de zee, seggende,
Aldus sal de groote stadt Babylon met gewelt gheworpen worden, ende en sal niet meer worden gevonden.
22
Ende
de stemme der cither-speelders, ende der sangers, ende der fluyters, ende der basuyners, en sal niet meer in u gehoort worden: ende geen konstenaer van eenige konste en sal meer in u gevonden worden: ende
geen
geluydt des meulens en sal in u meer gehoort worden.
23 Ende
het licht der keerse en sal in u niet meer schijnen:
ende
de stemme eenes bruydegoms ende eener bruydt en sal in u niet meer gehoort worden : want
uwe kooplieden waren de Groote der aerde, want
door uwe tooverie zijn alle volcken verleydt geweest.
24 Ende
in de selve is gevonden
het bloedt der Propheten, ende der Heyligen, ende aller der gene die gedoodt zijn op der aerde.
Val van Babylon. Klaagtonen op de aarde
1 En na dezen zag ik een andere engel afkomen uit de hemel, hebbende grote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijn heerlijkheid.
2 En hij riep krachtig met een grote stem, zeggende:
Zij is gevallen, zij is gevallen, het grote Babylon, en is geworden
een woonstede der duivelen, en een bewaarplaats van alle onreine geesten, en een bewaarplaats van alle onrein en hatelijk
gevogelte;
3 Omdat uit de
wijn van de toorn van haar hoererij alle volken gedronken hebben,
en de koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht van haar weelde.
4 En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende:
Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.
5 Want haar zonden zijn de ene op de andere gevolgd tot de hemel toe, en God is haar ongerechtigheden
gedachtig geworden.
6 Vergeldt haar, zoals zij u vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel, naar haar werken; in de drinkbeker,
waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.
7 Zoveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft, en weelde gehad heeft, doet haar zo grote pijniging en rouw aan; want zij zegt in haar hart:
Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouw zien.
8
Daarom zullen haar plagen op één dag komen, namelijk dood, en rouw, en honger, en zij zal
met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God, Die haar oordeelt.
9
En de koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen haar bewenen, en rouw over haar bedrijven, wanneer zij
de rook van haar brand zullen zien;
10 Van verre staande uit vrees voor haar pijniging, zeggende:
Wee, wee, de grote stad Babylon, de sterke stad, want uw oordeel is in één uur gekomen.
11 En de kooplieden der aarde zullen wenen en rouw maken over haar, omdat niemand hun waren meer koopt;
12 Waren van goud, en van zilver, en van kostbaar gesteente, en van paarlen, en van fijn lijnwaad, en van purper, en van zijde, en van scharlaken; en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostbaarste hout, en van koper, en van ijzer, en van marmersteen;
13 En kaneel, en reukwerk, en welriekende zalf, en wierook, en wijn, en olie, en meelbloem, en tarwe, en lastbeesten, en schapen; en van paarden, en van koetswagens, en van lichamen, en
de zielen der mensen.
14 En de vrucht der begeerlijkheid van uw ziel is van u weggegaan; en al wat lekker en wat heerlijk was, is van u weggegaan; en gij zult het niet meer vinden.
15 De kooplieden van deze dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vrees voor haar pijniging, wenende en rouw makende;
16 En zeggende: Wee, wee, de grote stad,
die bekleed was met fijn lijnwaad, en purper, en scharlaken, en versierd met goud, en met kostbaar gesteente, en met paarlen; want in één uur is zo grote rijkdom verwoest.
17 En alle stuurlieden, en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en allen, die op zee werkzaam zijn, stonden van verre;
18 En riepen, ziende
de rook van haar brand, en zeggende:
Welke stad was aan deze grote stad gelijk?
19 En zij wierpen stof op hun hoofden, en riepen, wenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de grote stad, waarin allen, die schepen in de zee hadden, van haar kostbaarheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden.
20 Bedrijft vreugde over haar, gij hemel, en gij heilige apostelen, en gij profeten, want God heeft uw oordeel
aan haar geoordeeld.
21 En een sterke engel hief een steen op als een grote molensteen, en wierp die in de zee, zeggende:
Aldus zal de grote stad Babylon met geweld geworpen worden, en zal niet meer gevonden worden.
22
En de stem der citerspelers, en der zangers, en der fluiters, en der bazuiners, zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van enige kunst zal meer in u gevonden worden; en
geen geluid van de molen zal meer in u gehoord worden.
23 En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen;
en de stem van een bruidegom en van een bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uw kooplieden waren de groten der aarde, want door uw toverij zijn alle volken verleid geweest.
24 En in haar is gevonden
het bloed der profeten en der heiligen, en van al degenen, die gedood zijn op de aarde.