Lemuels lesse, van kuyscheyt, ende matigheyt der Coningen, v. 1, etc. bedroefde ende verdruckte te troosten, ende by te staen, 6, etc. lof, ende eygenschappen eener deuchdelicker huyschvrouwe, 10, etc.
1 De woorden des Conincks Lemuëls: de last, daer mede sijne moeder hem onderwees.
2 Wat, ô mijn sone? ende wat, ô sone mijns buycks? ja wat, ô sone mijner geloften?
3 En geeft den wijven u vermogen niet; nochte uwe wegen, om Coningen te verdelgen.
4 ’Ten komt den Coningen niet toe, ô Lemoël, ’t en komt den Coningen niet toe wijn te drincken; ende den Princen stercken dranck te begeeren.
5 Op dat hy niet en drincke, ende het gesette vergete; ende de recht-sake aller verdruckten verandere.
6 Gevet stercken dranck den genen die verloren gaet; ende wijn den genen, die bitterlick bedroeft van ziele zijn:
7 Dat hy drincke, ende sijne armoede vergete; ende sijner moeyte niet meer en gedencke.
8 Opent uwen mont voor den stommen; voor de recht-sake van alle die omkomen souden.
9 Opent uwen mont, oordeelt gerechtelick: ende doet den verdruckten ende nootdurftigen recht.
10 Aleph . Wie sal eene deuchdelicke huysvrouwe vinden? want hare weerdye is verre boven de robynen.
11 Beth . Het herte hares heeren vertrouwt op haer; so dat hem geen goet en sal ontbreken.
12 Gimel . Sy doet hem goet, ende geen quaet, alle de dagen hares levens.
13 Daleth . Sy soeckt wolle, ende vlas, ende werckt met lust harer handen.
14 He. Sy is als de schepen eens koopmans: sy doet haer broot van verre komen.
15 Vau . Ende sy staet op, alst noch nacht is, ende geeft haren huyse spijse; ende hare dienstmaegden het bescheyden deel.
16 Zain . Sy denckt om eenen acker, ende krijcht hem: van de vrucht harer handen plant sy eenen wijngaert.
17 Cheth . Sy gordet hare lendenen met cracht: ende sy versterckt hare armen .
18 Teth . Sy smaeckt dat haren coophandel goet is: hare lampe en gaet des nachts niet uyt.
19 Iod . Sy steeckt hare handen uyt nae de spille: ende hare hant-palmen vatten den spinrock.
20 Caph . Sy breydt hare hant-palm uyt tot den elendigen: ende sy steeckt hare handen uyt tot den nootdurftigen.
21 Lamed . Sy en vreest voor haer huys niet van wegen de sneeuw: want haer gantsche huys is met dobbele kleederen gekleedt.
22 Mem . Sy maeckt voor haer tapijt-cieraet: hare kleedinge is fijn linnen ende purper.
23 Nun . Haer man is bekent inde poorten; als hy sit met de Outste des lants.
24 Samech. Sy maeckt sijn lijnwaet, ende verkoopt’et: ende sy levert den koopman gordelen.
25 Ain . Sterckte, ende heerlickheyt zijn hare cleedinge: ende sy lacht over den nacomenden dach.
26 Pe . Sy doet haren mont open met wijsheyt: ende op hare tonge is leere der goetdadicheyt.
27 Tsade . Sy beschouwt de gangen hares huys: ende het broot der luyheyt en eetse niet.
28 Koph . Hare kinderen staen op, ende roemense wel gelucksalich: [oock] haer man; ende hy prijst haer: [seggende,]
29 Resch . Vele dochteren hebben deuchdelick gehandelt: maer ghy gaet die alle te boven.
30 Schin . De bevallicheyt is bedroch, ende de schoonheyt ydelheyt: [maer] eene vrouwe, die den HEERE vreest, die sal gepresen worden.
31 Tau . Gevet haer van de vrucht harer handen: ende laet hare wercken haer prijsen in de poorten.
Eynde der Spreucken SALOMONS.
De onderwijzing van Lemuël
1 De woorden van de koning Lemuël; de last, waarmee zijn moeder hem onderwees.
2 Wat, o mijn zoon, en wat, o zoon mijns buiks? ja, wat, o zoon mijner geloften?
3 Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
4 Het komt de koningen niet toe, o Lemuël! het komt de koningen niet toe wijn te drinken, en de prinsen, sterke drank te begeren;
5 Opdat hij niet drinke, en het ingezette vergete, en de rechtzaak van alle verdrukten verandere.
6 Geeft sterke drank aan hem, die te gronde gaat, en wijn aan hen, die bitter bedroefd van ziel zijn;
7 Dat hij drinke, en zijn armoede vergete, en aan zijn moeite niet meer gedenke.
8 Open uw mond voor de stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9 Open uw mond; oordeel naar recht, en doe de verdrukte en nooddruftige recht.
Lof der deugdzame huisvrouw
10 Aleph . Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.
11 Beth . Het hart van haar heer vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.
12 Gimel . Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen van haar leven.
13 Daleth . Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust van haar handen.
14 He . Zij is als de schepen van een koopman; zij doet haar brood van verre komen.
15 Vau . En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijs, en haar dienstmaagden het hun bescheiden deel.
16 Zain . Zij denkt over een akker, en krijgt hem; van de vrucht van haar handen plant zij een wijngaard.
17 Cheth . Zij gordt haar lendenen met kracht, en zij versterkt haar armen.
18 Teth . Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.
19 Jod . Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten de spinrok.
20 Caph . Zij breidt haar handpalm uit tot de ellendige; en zij steekt haar handen uit tot de nooddruftige.
21 Lamed . Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.
22 Mem . Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.
23 Nun . Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.
24 Samech . Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert de koopman gordels.
25 Ain . Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over de komende dag.
26 Pe . Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der weldadigheid.
27 Tsade . Zij beschouwt de gang van zaken in haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.
28 Koph . Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende :
29 Resch . Vele dochters hebben deugdelijk gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
30 Schin . De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die de Heere vreest, die zal geprezen worden.
31 Thau . Geef haar van de vrucht van haar handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.