1 D’Apostel vermaent de Philippensen seer beweeghlick tot eenigheyt. 3 ende tot nedrigheyt ende gedienstigheyt. 5 tot dien eynde haer voorstellende ’t exempel des Heeren Iesu Christi , 6 dewelcke zijnde de waerachtighe Godt, hem soo vernietight heeft, dat hy onse menschelicke natuere heeft aengenomen, ende aen het cruyce voor ons gestorven is. 9 ende daer na wederom seer uytnemende verhooght. 12 Voeght daer by een gemeyne vermaninghe tot gehoorsaemheyt, vreese Godts, ende allerley Christelicke deughden, 15 om haer als lichten midden onder de ongeloovige te betoonen. 17 Verklaert so hy soude mogen te Roomen gedoodt worden, dat hy hem daer over soude verblijden, ende dat sy oock ’t selve behooren te doen. 19 Belooft dat hy Timotheum haest tot haer sal senden, 24 ende hoopt selve oock tot haer te komen. 25 Beveelt haer seer ernstlick haren Herder Epaphroditum, die desen brief haer bracht. 26 Verklaert dat de selve seer kranck was geweest, doch van den Heere wederom gesterckt. 29 Vermaent de Philippensen dat se hem blijdelick willen ontfanghen, alsoo hy om hares diensts wille in gevaer sijns levens was geweest.
1 INdiender dan eenige
vertroostinge
is
in Christo, indiender eenigen
troost is
der liefde, indiender eenige
gemeynschap is des Geests, indiender eenige
innerlijcke bewegingen ende
ontfermingen zijn:
2 So
vervult mijne blijdtschap, dat ghy mooght
eens
gesint zijn, deselve liefde hebbende,
van een gemoet, [ende ] van een gevoelen zijnde.
3 En [doet ] geen dinck door twistinge, ofte ydele eere,
maer door ootmoedigheyt achte de een den anderen
uytnemender dan hem selven.
4
Een yegelijck
en sie niet op
het sijne, maer een yegelijck [sie ] oock op ’tgene dat
der anderen is.
5
Want
dat ghevoelen zy in u, ’t welck oock in Christo Iesu was:
6
Die in de
gestaltenisse Godts zijnde,
geenen roof geacht en heeft
Gode even gelijck te zijn:
7
Maer heeft
hem selven
vernietight,
de ghestaltenisse eens dienstknechts aengenomen hebbende,
ende is den menschen gelijck geworden:
8
Ende
in gedaente
gevonden
als een mensche, heeft hy
hem selven
vernedert,
gehoorsaem geworden zijnde
tot den doodt, Iae
den doodt des cruyces.
9
Daerom heeft hem oock
Godt
uytermaten verhooght, ende heeft hem
eenen naem
gegeven, welcke
boven allen naem is:
10
Op dat
in den name Iesu sich soude
buygen alle knye der gene
die in den hemel, ende
die op de aerde, ende
die onder de aerde zijn:
11
Ende
alle tonge soude belijden
dat Iesus Christus de Heere zy,
tot heerlickheyt Godts des Vaders.
12 Alsoo dan, mijne geliefde, gelijck ghy alle tijdt
gehoorsaem geweest zijt, niet als in mijne tegenwoordicheyt alleen, maer veel meer nu in mijn afwesen ,
wercket uwes selfs salichtyt
met vreese ende beven.
13
Want het is Godt
die in u werckt beyde
het willen ende
het wercken,
na [sijn ] welbehagen.
14
Doet
alle dingen
sonder murmureren ende
tegenspreken:
15 Op dat ghy mooght
onberispelijck ende
oprecht zijn, kinderen Godts zijnde onstraffelijck in’t midden van
een crom ende verdraeyt geslachte:
onder
welcke
ghy schijnet als
lichten in de werelt:
16
Voor-houdende het woort des
levens,
my tot eenen roem tegen
den dagh Christi, dat ick niet te vergeefs en hebbe
geloopen, noch te vergeefs gearbeydt.
17 Ia indien
ick oock
tot een dranck-offer geoffert werde
over de offerande, ende
bedieninge uwes geloofs,
so verblijde ick my, ende verblijde my met u alle.
18 Ende om dat selve
verblijdt ghy u oock, ende verblijdt oock u lieden met my.
19 Ende ick hope
in den Heere Iesu,
Timotheum haest tot u te senden, op dat ick oock welgemoet mach zijn, als ick uwe saecken sal verstaen hebben.
20 Want ick en hebbe niemandt die
even alsoo gemoet is, dewelcke
oprechtelijck
uwe saecken sal besorgen.
21
Want sy soecken
alle
het hare, niet
’t gene Christi Iesu is.
22 Ende ghy wetet
sijne beproevinge, dat hy
als een kindt [sijnen ] vader,
met my gedient heeft in den Euangelio.
23 Ick hope dan wel
desen
van stonden aen te senden, so [haest ] als ick in
mijne saken sal voorsien hebben:
24 Doch ick
vertrouwe in den Heere, dat ick oock selve haest [tot u ] comen sal.
25 Maer ick hebbe noodigh geacht,
tot u te senden
Epaphroditum
mijnen broeder, ende
mede-arbeyder, ende
mede-stryder, ende uwen
afgesondenen, ende
bedienaer mijnes nootdrufts:
26 Dewijle hy zeer begeerich was
na u alle, ende zeer
beanghst was, om dat
ghy ghehoort haddet dat hy cranck was.
27 Ende hy is oock cranck geweest
tot na by de doodt: maer Godt heeft hem
sijner ontfermt: ende niet alleen sijner, maer
oock mijner, op dat ick niet
droefheyt op
droefheyt en soude hebben.
28 So hebbe ick dan hem
te spoediger gesonden, op dat ghy hem siende wederom u soudet verblijden, ende ick
te min soude droevich zijn.
29 Ontfanght hem dan
in den Heere, met alle blijdschap,
ende houdt
de sulcke
in weerde.
30 Want
om het werck Christi was hy
tot na by de doodt gecomen,
[sijn ] leven
niet achtende, op dat hy
het gebreck uwer bedieninge aen my vervullen soude.
Oproep tot eensgezindheid en ootmoed
1 Als er dan enige bemoediging is in Christus, als er enige troost is van de liefde, als er enige gemeenschap is van de Geest, als er enige innige gevoelens en ontfermingen zijn,
2 maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u
eensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel bent en één van gevoelen.
3 Doe niets uit eigenbelang of eigendunk,
maar laat in nederigheid de een de ander voortreffelijker achten dan zichzelf.
4
Laat eenieder niet alleen oog hebben voor wat van hemzelf is, maar laat eenieder ook oog hebben voor wat van anderen is.
Lofzang op Christus
5
Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,
6
Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn,
7
maar Zichzelf ontledigd heeft
door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.
8
En in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij Zichzelf
vernederd en is gehoorzaam geworden, tot de dood, ja, tot de kruisdood.
9
Daarom heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem
een Naam geschonken boven alle naam,
10
opdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke knie van hen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn,
11
en elke tong zou belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.
Aansporing tot heilig leven
12 Daarom, mijn geliefden, zoals u altijd gehoorzaam geweest bent, niet alleen zoals in mijn aanwezigheid, maar nu veelmeer in mijn afwezigheid, werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven,
13
want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.
14
Doe alle dingen
zonder morren en meningsverschillen,
15 opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht,
waaronder u schijnt als lichten in de wereld,
16 door vast te houden aan het Woord van het leven,
mij tot roem met het oog op de dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb hardgelopen en mij ook niet tevergeefs heb ingespannen.
17 Maar al word ik ook als een plengoffer uitgegoten over het offer en de bediening van uw geloof,
ik verblijd mij en ik verblijd mij met u allen.
18 En u verblijdt zich ook daarover; verblijd u dan met mij.
De zending van Timotheüs en het bezoek van Epafroditus
19
En ik hoop in de Heere Jezus Timotheüs spoedig naar u toe te sturen, opdat ook ik goedsmoeds mag zijn als ik van uw zaken weet.
20 Want ik heb niemand van gelijke gezindheid, die oprecht voor uw zaken zorg zal dragen.
21
Want zij zoeken allen hun eigen belangen , niet die van Christus Jezus.
22 En u kent zijn beproefdheid, dat hij met mij gediend heeft in het Evangelie, zoals een kind met zijn vader.
23 Hem hoop ik dus ogenblikkelijk te sturen, zodra ik mijn zaken kan overzien.
24 Maar ik vertrouw in de Heere dat ik ook zelf spoedig zal komen.
25 Ik heb het echter nodig geacht Epafroditus naar u toe te sturen, mijn broeder, medearbeider en medestrijder, en uw gezant en dienaar in wat ik nodig had,
26 omdat hij vurig naar u allen verlangde en in grote angst verkeerde, omdat u gehoord had dat hij ziek was.
27 Hij is inderdaad ook ziek geweest, tot dicht bij de dood, maar God heeft Zich over hem ontfermd, en niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik niet droefheid op droefheid zou hebben.
28 Daarom heb ik hem des te sneller gestuurd, opdat u zich weer kunt verblijden als u hem ziet, en ik minder droevig ben.
29 Ontvang hem dan in de Heere, met alle blijdschap,
en houd zulke mensen in ere.
30 Want om het werk van Christus was hij tot dicht bij de dood gekomen, doordat hij zijn leven had gewaagd om aan te vullen wat aan uw dienstbetoon jegens mij nog ontbrak.