Eliphaz beschuldicht Iob van ydelheyt, v. 1, etc. van godtloosheyt, 4. van vermetenheyt in sijne propoosten, 7. tegen sijne vrienden, 9. ja tegen Godt selve, 11. om dat hy sijne eygene gerechticheyt voorspreken wilde, 14. hy bewijst tegen Iob, uyt de ervarentheyt, ende de getuygenissen der wijse Voorvaderen, 17. dat Godt de godtloose straft, 20. om hare boosheden, 25. in de welcke sy vergaen, 29.
1 DOe antwoordde Eliphaz de Temaniter, ende seyde:
2 Sal een
wijs man
windige wetenschap voor antwoorde geven, ende sal hy sijnen
buyck vullen met
Oosten wint?
3 Bestraffende door woorden, [die] niet en baten, ende door redenen, met de welcke hy geen profijt en doet?
4 Ia ghy vernieticht
de vreese, ende
neemt
het gebedt voor het aengesichte Godes wech.
5 Want uwe
mont
leert
uwe ongerechticheyt: ende ghy hebt de tonge der archlistigen verkoren.
6 Uwe mont verdoemt u, ende niet ick: ende uwe lippen getuygen tegen u.
7 Zijt ghy
de eerste een mensche geboren? ofte zijt ghy voor
de heuvelen
voortgebracht?
8
Hebt ghy den verborgenen raet Godts
gehoort, ende hebt ghy de wijsheyt
nae u getrocken?
9 Wat weet ghy, dat wy niet en weten? [wat] verstaet ghy, dat by ons niet en is?
10
Onder ons is oock een grijse, ja een stock-oude,
meerder van dagen dan uw’ vader.
11 Zijn de
vertroostingen Godts u te
kleyn? ende
schuylter eenige sake by u?
12 Waerom
ruckt u herte u wech? ende
waerom wencken uwe oogen?
13 Dat ghy
uwen geest keert tegen Godt, ende [sulcke] redenen uyt uwen mont laet uytgaen.
14
Wat
is de mensche dat hy suyver soude zijn? ende die geboren is van eene vrouwe, dat hy rechtveerdich soude zijn?
15
Siet op sijne
Heyligen
en soude hy niet vertrouwen: ende
de hemelen en zijn niet suyver in sijnen oogen.
16 Hoe veel te meer is
een man grouwelick, ende stinckende, die
het onrecht indrinckt als water?
17 Ick sal u
wijsen, hoort my toe:
ende ’t gene ick gesien hebbe, dat sal ick vertellen :
18 ’Twelck de wijse verkondiget hebben; ende men voor
hare vaderen niet verborgen en heeft:
19 Den welcken alleene het lant
gegeven was; ende
door welcker midden niemant vreemts door en ginck.
20
T’ allen dagen
doet de godtloose hem selven weedom aen: ende
[weynige] jaren in getale zijn voor den tyran
wech-geleyt.
21 Het geluyt
der verschrickingen is in sijnen ooren;
in
de vrede selve komt de verwoester hem over.
22 Hy en gelooft niet uyt de
duysternisse weder te keeren:
maer dat hy beloert wort ten sweerde.
23
Hy swerft henen ende weder om broot, waer het zijn mach: hy weet
dat by sijne hant gereet is
de dach der duysternisse.
24 Anxt, ende benaeuwtheyt verschricken hem: sy
overweldicht hem, gelijck een Coninck bereydt ten
strijde.
25 Want
hy streckt tegens Godt sijne hant uyt, ende tegens den
Almachtigen stelt hy sich geweldelick aen.
26 Hy loopt tegens
hem aen met
den hals, met
sijne dicke hooch-verhevene schilden.
27 Om dat hy
sijn aengesichte met sijn vet bedeckt heeft; ende rimpelen gemaeckt om
de weeck-darmen.
28 Ende heeft bewoont verdelchde
steden, [ende] huysen, diemen niet en bewoonde, die gereet waren tot [steen] hoopen te worden.
29 Hy en sal niet
rijck worden, ende sijn vermogen en sal niet bestaen: ende
hare volmaecktheyt en sal haer niet uytbreyden op der aerde.
30 Hy en sal vande
duysternissse niet ontwijcken, de
vlamme sal sijne scheute verdroogen:
hy sal
wijcken door
het geblaes sijns monts.
31 Hy en betrouwe niet op
ydelheyt, [waer door] hy verleydt wort: want
ydelheyt sal sijne
vergeldinge wesen.
32
Als
sijnen dach noch niet en is,
salse vervult worden: want sijnen tack en sal niet groenen.
33
Men sal sijne onrijpe druyven afrucken, als eenes wijn-stocks, ende sijn bloeysel afwerpen, als eenes olijf-booms.
34 Want de vergaderinge der
huychelaren wort eensaem, ende
het vyer verteert de
tenten der geschencken.
35
Sy ontfangen moeyte, ende baren
ydelheyt, ende haren
buyck richtet bedroch aen.
De tweede toespraak van Elifaz
1 Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:
2 Zal een wijze antwoorden met wetenschap die als wind is ?
Zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
3 Bestraft hij met woorden die nutteloos zijn,
en met uitspraken waarvan hij geen voordeel heeft?
4 Ja, jíj doet de vreze Gods teniet,
en neemt het gebed voor het aangezicht van God weg.
5 Want je eigen mond geeft je ongerechtigheid te kennen,
je hebt de tong van de sluwen gekozen.
6 Je eigen mond verklaart je schuldig, en niet ik;
je lippen getuigen tegen je.
7 Ben jij de eerste mens die geboren werd?
Ben jij vóór de heuvels voortgebracht?
8
Heb jij geluisterd in de verborgen raad van God?
En heb jij de wijsheid naar je toe getrokken?
9 Wat weet jij dat wij niet weten?
Wat begrijp jij dat bij ons ontbreekt?
10
Onder ons is ook een grijsaard en een stokoude,
ouder van dagen dan jouw vader.
11 Zijn de vertroostingen van God te klein voor je,
of woorden in zachtheid met je gesproken ?
12 Waarom voert je hart je zo mee,
en waarom flikkeren je ogen,
13 dat je je geest tegen God keert
en zulke woorden uit je mond laat gaan?
14
Wat is de sterveling dat hij zuiver zou zijn,
en dat hij, geboren uit een vrouw, rechtvaardig zou zijn?
15
Zie, zelfs op Zijn heiligen vertrouwt Hij niet,
en zelfs
de hemel is niet zuiver in Zijn ogen.
16 Hoeveel te meer is dan een man afschuwelijk en verdorven
die het onrecht indrinkt als water!
17 Ik zal het je te kennen geven, luister naar mij;
wat ik gezien heb, zal ik vertellen,
18 wat de wijzen bekendgemaakt hebben,
en wat men voor hun vaderen niet verborgen heeft.
19 Aan hen alleen was het land gegeven,
en geen vreemde ging door hun midden.
20 Alle dagen doet de goddeloze zichzelf verdriet aan;
en voor de geweldpleger is een klein aantal jaren weggelegd.
21 Het geluid van angstaanjagende dingen klinkt in zijn oren;
zelfs tijdens de vrede komt de verwoester naar hem toe.
22 Hij verwacht niet dat hij terugkeert uit de duisternis,
omdat er met een zwaard op hem geloerd wordt.
23 Hij zwerft rond om brood. Waar is het?
Hij weet
dat een dag van duisternis voor hem ophanden is.
24 Benauwdheid en angst overvallen hem;
ze overweldigen hem als een koning die klaar is voor de strijd.
25 Ja, hij strekt zijn hand tegen God uit,
en hij verheft zich tegen de Almachtige.
26 Hij rent op Hem af met opgeheven nek,
met de dikke knoppen van zijn schilden vooruit .
27 Want hij heeft zijn gezicht bedekt met zijn vet,
en hij heeft een vetlaag op zijn lendenen gedaan.
28 Hij bewoont verwoeste steden,
huizen waarin niemand meer woont,
bestemd om een puinhoop te worden.
29 Hij zal niet rijk worden, zijn vermogen houdt geen stand,
en hun bezit breidt zich niet uit over de aarde.
30 Hij kan de duisternis niet ontwijken,
een vlam verdroogt zijn jonge loot;
hij gaat weg door de adem van Gods mond.
31 Laat hij niet vertrouwen op iets wat nutteloos is, waardoor hij misleid wordt;
want iets nutteloos zal hij als vergelding krijgen.
32
Terwijl het zijn sterf dag nog niet is, zal die vervuld worden,
en zijn palmtak zal niet groen worden.
33 Hij zal zijn onrijpe druiven afstoten als een wijnstok,
en zijn bloesem afwerpen als een olijfboom.
34 Ja, de gemeenschap van de huichelaars is onvruchtbaar,
en het vuur verteert de tenten van hen die geschenken aannemen .
35
Zij zijn zwanger van moeite en baren onheil,
en hun buik brengt bedrog voort.