Een dreyginge over de onrechtveerdige Richters, ende verkeerders des rechts, v. 1 etc. als oock tegen de Assyriers, 5, 12, 15, 16, 17, 18. die een ander oogemerck hebben in het verderven der Ioden, dan de Heere hadde, 7. haren hoochmoet wort beschreven, 8. ende Godt belooft dat hy het overblijfsel sijner kercke sal redden, 21. ende dat haestelick, 25. De tocht. Sanheribs marcherende nae Ierusalem, 28 etc. Dreygement Godes over den selven, 33.
1 WEe
den genen die ongerechte insettingen
insetten,
ende den schrijvers die
moeyte voor schrijven;
2
Om de arme van ’t recht af te wenden, ende om het recht der elendigen mijnes volcks te rooven,
op dat de weduwen haren buyt worden, ende op dat sy de weesen mogen plunderen.
3 Maer wat sult ghylieden doen
ten dage der besoeckinge, ende
der verwoestinge, [die]
van verre komen sal?
tot wien sult ghy vlieden om hulpe? ende waer sult ghy
uwe heerlickheyt laten?
4 Dat elck een sich
niet en soude buygen onder de gevangene, ende vallen onder de gedoodde? Om allen desen en keert sijn toorn niet af, maer sijne hant is noch uytgestreckt.
5
Wee
den Assyrier [die] de
roede mijnes toorns is,
ende mijne grimmicheyt is een stock in hare hant
.
6 Ick sal
hem senden
tegen een huychelsch volck, ende
ick sal hem bevel geven
tegen het volck mijner verbolgentheyt: op dat hy
den roof roove, ende plundere de plunderinge, ende stelle
het ter vertredinge,
gelijck het slijck der straten.
7 Hoewel hy het
soo niet en meynt, noch sijn herte alsoo niet en denckt,
maer hy sal in sijn herte hebben te verdelgen, ende uyt te roeyen niet weynich volckeren.
8 Want hy seyt,
Zijn niet mijne Vorsten al t’samen Coningen?
9
Is niet
Calno gelijck
Carchemis? is
Hamath niet gelijck
Arphad? is niet Samaria gelijck Damascus?
10 Gelijck als mijne hant
gevonden heeft de Coninckrijcken
der Afgoden,
of schoon hare gesnedene beelden
beter
zijn, dan
[die] van Ierusalem, ende dan [die] van Samaria.
11 Gelijck als ick gedaen hebbe aen Samaria, ende aen hare Afgoden, soude ick alsoo
niet kunnen doen aen Ierusalem, ende aen
hare Afgoden?
12
Want het sal geschieden,
als de Heere een eynde sal gemaeckt hebben van al sijn werck op den berch Zion, ende te Ierusalem: dan sal
ick
te huys soecken
de vrucht der grootscheyt des herten
des Conincks van Assyrien, ende den pracht
van de hoocheyt sijner oogen.
13
Om dat hy geseyt heeft, Door de kracht mijner hant hebbe ick ’t gedaen, ende door mijne wijsheyt:
want ick ben verstandich; ende
ick hebbe de lant-palen der volckeren wech-genomen, ende hebbe
haren voorraet gerooft, ende
hebbe als een geweldige
de inwoonders doen neder dalen.
14 Ende mijne hant heeft gevonden het
vermogen der volcken,
als eenen nest, ende
ick hebbe het gantsche aerdrijck te samen geraept, gelijckmen de eyeren die verlaten zijn, te samen raept: ende daer en is niemant geweest,
die eenen vleugel verroerde, of
den beck op dede, of
piepede.
15
Sal
een byle haer beroemen tegen dien die daer mede houwt? sal
een sage
pocchen tegen dien
diese treckt? als of een staf
beweegde de gene die hem opheffen?
als men eenen stock opheft, en is ’t geen hout?
16 Daerom sal de Heere Heere der heyrscharen onder
sijne
vette eene
magerheyt senden: ende
onder
sijne heerlickheyt
sal hy
eenen brant doen branden, als de brant des vyers.
17 Want
het licht Israels
sal tot een vyer zijn, ende
sijn
Heylige
tot een vlamme, welcke in brant steken ende verteeren sal
sijne
doornen ende
sijne
distelen
op eenen dach.
18 Oock sal
hy verteeren de heerlickheyt
sijnes
wouts, ende
sijnes vruchtbaren velts,
van der ziele aen tot den vleesche toe: ende
hy
sal zijn, gelijck als wanneer een vaendrager
versmelt.
19 Ende
de overgeblevene boomen sijnes wouts, sullen
weynige in getale zijn,
ja een jonge soudese opschryven.
20
Ende het sal geschieden te dien dage, dat
het overblijfsel Israëls, ende
de ontkomene des huyses Iacobs,
niet meer steunen en sullen
op dien diese geslagen heeft: maer sy sullen steunen op den HEERE
den Heyligen Israels,
oprechtelick.
21
Het overblijfsel
sal weder-keeren,
het overblijfsel Iacobs, tot den stercken Godt.
22
Want
ofwel u volck, ô Israël, is
gelijck het zant der zee, so en sal [doch maer] het overblijfsel
daer van wederkeeren:
de
verdelginge is vastelick besloten, overvloeyende met gerechticheyt.
23 Want
een verdelginge, die vastelick besloten is, sal de Heere HEERE der heyrscharen doen in het midden deses gantschen lants.
24 Daerom seyt de Heere HEERE der heyrscharen alsoo, En vreest niet, ghy mijn volck dat te Zion woont, voor Assur, als hy u met de roede sal slaen,
ende hy sijnen staf tegen u sal opheffen,
nae de wijse der Egyptenaren:
25
Want noch
een kleyn weynich, so sal volbracht worden de gramschap ende mijn toorn tot
harer
vernielinge.
26 Want de HEERE der heyrscharen sal
tegen hem
een geessel verwecken,
gelijck de slachtinge Midians was aen
de rotse Orebs: ende
[gelijck]
sijn staf over de zee was, den welcken hy verheffen sal
nae de wyse der Egyptenaren.
27 Ende het sal geschieden ten selven dage, dat
sijn last sal afwijcken van uwen schouder, ende sijn jock van uwen halse: ende het jock sal
verdorven worden,
om des Gesalfden wille.
28
Hy komt te
Ajath, hy treckt door
Migron: te
Michmas
leyt hy sijne gereetschap af.
29 Sy trecken door
den doorganck, te
Geba houden sy hare vernachtinge:
Rama beeft,
Gibea Sauls vlucht.
30
Roept luyde met uwe stemme,
ghy dochter Gallim,
laetse hooren tot
Laïs toe, ô elendige
Anathoth.
31
Madmena
vliedt wech, de inwoonders van Gebim
vluchten met hoopen.
32 Noch een dach
blijft
hy
te Nob:
hy sal sijne hant
bewegen
[tegen] den berch
der dochter Zions,
den heuvel Ierusalems.
33 [Doch] siet, de Heere HEERE der heyrscharen, sal
met gewelt
de tacken
af-cappen, ende
die hooge van stature zijn, sullen nedergehouwen worden,
ende de verhevene sullen vernedert worden.
34 Ende
hy sal
met yser
de verwerrede-struycken des wouts omhouwen: ende
de Libanon sal vallen
door den Heerlicken.
1 Wee hun die verordeningen van onrecht instellen,
en de schrijvers die onheil voorschrijven
2 om de armen van hun recht weg te duwen,
en de ellendigen van Mijn volk van het recht te beroven,
zodat weduwen hun buit worden,
en zij wezen uitplunderen.
3 Maar wat zult u doen op de dag van de vergelding,
bij de verwoesting die er vanuit de verte aankomt?
Naar wie zult u vluchten om hulp
en waar zult u uw rijkdom laten?
4 Er blijft niets over dan zich onder de gevangenen neer te bukken
en onder de gedoden te vallen!
Bij dit alles keert Zijn toorn zich niet af;
nog is Zijn hand tegen hen uitgestrekt.
Aankondiging van de ondergang van Assyrië
5
Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6 Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben,
zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen
als slijk op straat.
7 Maar zelf meent hij het zo niet,
en diep in zijn hart denkt hij zo niet.
Want het leeft in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8 Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9 Is het Kalno niet vergaan als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10 Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden die van Jeruzalem en die van Samaria overtroffen;
11 zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?
12 Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots
van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag
zal vergelden.
13 Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik dit gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de hoog gezetenen neergehaald.
14 Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die zijn vleugel verroerde,
die zijn snavel opende of die ook maar piepte.
15 Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.
16 Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom
zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van verzengend vuur.
17 Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18 Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met alles wat daar leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19 En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou het aantal kunnen opschrijven.
Een rest wordt behouden
20 Op die dag zal het gebeuren dat het overblijfsel van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.
21 Dat overblijfsel zal terugkeren, het overblijfsel van Jakob, naar de sterke God.
22 Want, Israël,
al is uw volk als het zand van de zee, toch zal maar een overblijfsel daarvan terugkeren; tot verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.
23 Ja,
een vernietigend einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.
24 Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.
25 Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en zal Mijn toorn zich richten op hún vernietiging.
26 Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals eens Midian is geslagen bij de rots Oreb.
Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.
27 Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en dat juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.
28 Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29 Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, de stad van Saul, slaat op de vlucht.
30 Gil het uit,
dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31 Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32 Vandaag nog staat hij in Nob
en zwaait met zijn vuist
tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.
33 Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige woud reuzen
zullen worden omgehakt,
en de hoge bomen neergeworpen.
34 Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
