Wee, ende gevanckenisse, over de principaelste van Zion ende Samaria, van wegen hare vleeschlicke sekerheyt, godtloose dertelheyt, ende overdaet, v. 1, etc. Godt sweert, dat hy de stadt, met al watter in is, aen den vyant sal overgeven, ende wie overblijft, door sijne plagen doen verdwijnen, sonder Groote ofte kleyne te verschoonen, 7. om Israels domme verkeertheyt, ofte hartneckicheyt, ende dwasen hoochmoet, sal Godt eenen verdruckenden vyant over haer senden, 12.
1 WEe
den
gerusten te
Zion, ende den
sekeren op den berch van Samarja: die de
voornaemste zijn van de
eerstelingen der volckeren, ende tot de welcke die van den huyse Israëls
komen.
2 Gaet over nae
Calne, ende siet toe; ende gaet van daer nae Hamath de
groote [stadt]: ende trecket af nae
Gath der Philistijnen; ofse
beter zijn als dese Coninckrijcken, ofte hare lantpale grooter als uwe lantpale.
3 Ghy die den
boosen dach
verre stellet: ende den stoel des gewelts
naeby brenget.
4 Die daer liggen op
elpen-beenen bedsteden, ende
weeldich zijn op hare coetzen: ende eten de
lammeren van der kudde, ende de kalveren uyt het
midden van den mest-stal.
5 Die op het
geklanck der
Luyte quinckeleren: [ende] bedencken haer selven instrumenten der Musijcke,
gelijck David.
6 Die wijn
uyt schalen
drincken, ende haer salven met de
voortreflicxte olye: maer en
bekommeren haer niet over de
verbrekinge
Iosephs.
7 Daerom sullen sy
nu gevanckelick henen gaen
onder de voorste die in
gevanckenisse gaen: ende het
bancket der gener die
weeldich zijn, sal
wech wijcken.
8 De Heere HEERE heeft gesworen by
sich selven; (spreeckt de HEERE, de Godt der heyrscharen), Ick hebbe eenen grouwel van
Iacobs hoovaerdye, ende ick hate sijne palleysen: daerom sal ick de Stadt ende hare
volheyt
overleveren.
9 Ende het sal geschieden, so daer tien mannen in eenich huys sullen
overgelaten zijn, datse
sterven sullen.
10 Ende
de naeste vrient sal
eenen yegelicken van dien op-nemen, ofte die
hem
verbrandt, om de beenderen uyt den huyse uyt te brengen, ende sal seggen tot dien, die
binnen de zijden des huyses is, Zijnder noch
meer by u? ende hy sal seggen,
Niemant: Dan sal hy seggen,
Swijcht; want
sy en waren niet om des HEEREN naem te vermelden.
11 Want siet, de HEERE
geeft bevel, ende hy sal het groote huys slaen met
inwateringe: ende het kleyne huys met spleten.
12
Sullen oock peerden rennen op eene steenrotze? salmen oock [daer op] met runderen ploegen?
want ghylieden hebt het recht in
galle verkeert, ende de vrucht der gerechticheyt in
alssen.
13 Ghy die blijde zijt over een
nietich dinck: Ghy die segget; En hebben wy ons niet door onse sterckte
hoornen verkregen?
14 Want siet, Ick sal over ulieden, ô huys Israëls, een
volck verwecken, spreeckt de HEERE, de Godt der heyrscharen: Die sullen ulieden
drucken, van daermen komt te
Hamath, tot aen de beke der
wildernisse.
Strafprediking tegen de zorgeloze hoogmoed van Israël
1 Wee de zorgelozen in Sion,
en de onbezorgden op de berg van Samaria,
de beroemdsten van de
voornaamste van de volken,
en tot wie het huis van Israël komt.
2 Trek naar Kalne en kijk er rond ;
ga vandaar naar het grote Hamath,
en daal af naar Gath van de Filistijnen.
Zijn ze beter dan deze koninkrijken?
Is hun gebied groter dan uw gebied?
3 U , die de
onheilsdag
ver van u afhoudt,
maar de zetel van het geweld naderbij brengt;
4 u , die op bedden van ivoor ligt,
die op uw rustbanken hangt,
die lammeren uit het kleinvee eet,
kalveren uit het midden van de stal;
5 u , die vrolijk zingt onder het geklank van de
luit
– zoals David hebben zij voor zichzelf muziekinstrumenten uitgedacht –
6 u , die wijn uit sprengbekkens
drinkt
en u zalft met de beste olie,
maar om de ondergang
van Jozef
bekommert u zich niet.
7 Daarom zullen zij nu als eersten in
ballingschap gaan;
dan is het feest voorbij voor hen die maar wat rondhangen.
8 De Heere HEERE zweert bij Zichzelf
– spreekt de HEERE, de God van de legermachten:
Ik verafschuw de glorie van Jakob,
zijn paleizen haat Ik.
Ik zal de stad uitleveren met al wat zij bevat.
9 En mocht het gebeuren dat er tien mannen in één huis overgebleven zijn, dan zullen die sterven.
10 Als een familielid, of iemand die hem gaat verbranden, iemands lichaam opneemt om de beenderen het huis uit te dragen, zal hij tegen hem die nog binnen in huis is, zeggen: Is er nog iemand bij u? En die zal zeggen: Niemand. Daarop zal de eerste zeggen: Stil, want dit is niet iets om er de Naam van de HEERE bij te noemen!
11 Want, zie, de HEERE gebiedt,
en het grote huis treft Hij met scheuren
en het kleine huis met spleten.
12 Rennen paarden op een rots?
Ploegt men er met runderen?
Ja, u hebt recht in gal veranderd,
en de vrucht van de gerechtigheid in
alsem.
13 U, die blij bent met Lodebar,
u, die zegt: Hebben wij niet door onze kracht
Karnaïm
voor ons ingenomen?
14 Want, zie, Ik doe een volk tegen u opstaan,
huis van Israël!
spreekt de HEERE, de God van de legermachten.
Dat zal u onderdrukken
van Lebo-Hamath
tot het beekdal van de Vlakte.