1 Om de Hebreen te beter tot stantvastigheyt in het geloove te bewegen, beschrijft hy haer het geloove, met sijne eygenschappen ende werckingen. 4 ende brenght tot dien eynde voort de exempelen van het geloove der Oudtvaderen des Ouden Testaments, ende voor eerst van Abel. 5 ende van Enoch. 7 ende van Noë. 8 daer na van Abraham. 11 ende van Sara. 13 die met haer zaet de beloften des lants Canaan wel hebben ontfangen, maer de volbrenginge van die, niet op der aerden, maer in den hemel hebben verkregen. 17 Voorders verhaelt hy het exempel van het geloove Abrahams in het offeren van sijnen sone Isaac. 20 ende Isaacs in het zegenen van sijnen sone Iacob. 21 ende Iacobs in het zegenen van de sonen Iosephs. 22 ende Iosephs op sijn sterfbedde. 23 Daer na van de ouders Mosis. 24 ende van Mose selve in het verachten van sijne eere ende gemack in het hof van Pharao. 27 ende in het scheyden uyt Egypten, houden van het Pascha, ende doorgaen door de roode zee. 30 Daer na van Iosue ende van Rachab in het innemen van Iericho. 32 mitsgaders van de Richters ende Koningen, die door het geloove groote dingen verricht hebben. 35 Daer na van eenige vrouwen, die groote swarigheden daer door hebben uytgestaen. 36 gelijck oock verscheydene andere Propheten ende Martelaren. 39 Besluyt dat dese alle gestorven zijn in het geloove, hoewel sy de beloofde sake sonder ons niet en hebben verkregen.
1 HEt geloove nu is
een vaste gront der dingen die men hoopt, [ende ]
een bewijs
der saken die men niet en siet.
2 Want door het selve hebben
de Oude
getuygenisse bekomen.
3 Door het geloove verstaen wy
dat
de werelt
door het woort Godts is
toebereydt,
alsoo dat de dingen die men siet,
niet geworden zijn uyt dingen die gesien worden.
4 Door het geloove
heeft Abel
een meerder offerande Gode ge-offert dan Cain,
door welck hy
getuygenisse bekomen heeft
dat hy rechtveerdigh was, alsoo Godt
over sijne gaven getuygenisse gaf: ende door het selve [geloove ]
spreeckt hy noch na dat hy gestorven is.
5 Door het geloove is
Enoch
wech genomen geweest, op dat hy den doot niet en soude
sien: ende hy en wiert niet gevonden, daerom dat hem Godt wech genomen hadde: want voor sijne wechneminge heeft hy getuygenisse gehadt dat hy
Gode behaeghde.
6 Maer sonder geloove
is het onmogelick [Gode ] te behagen. Want
die tot Godt komt moet gelooven
dat hy is, ende
een belooner is der gene
die hem soecken.
7 Door het geloove heeft
Noë door Godtlicke aensprake vermaent zijnde van de dingen
die noch niet gesien en wierden, [ende ]
bevreest geworden zijnde, de Arke toebereydt tot sijns huysgesins behoudenisse: door welcke [Arke ] hy
de werelt heeft veroordeelt, ende is geworden
een erfgenaem der rechtveerdigheyt die na den geloove is.
8 Door het geloove is
Abraham
geroepen zijnde, gehoorsaem geweest om uyt te gaen
na de plaetse die hy tot een erfdeel ontfangen soude: ende hy is uytgegaen niet wetende waer hy komen soude.
9 Door het geloove is hy een inwoonder geweest in het lant der belofte, als in een vreemt [lant ,] ende heeft
in Tabernakelen gewoont met Isaac ende Iacob, die mede-erfgenamen waren
der selver belofte.
10 Want hy verwachtede
de stadt
die fondamenten heeft, welcker
konstenaer ende bouwmeester Godt is.
11 Door het geloove heeft oock
Sara selve kracht ontfangen
om zaet te geven, ende
boven den tijt [hares ] ouderdoms heeft sy gebaert: overmits sy hem
getrouw heeft geacht die het belooft hadde.
12 Daerom zijn oock van eenen,
ende dat eenen verstorvenen, [soo vele ] in menighte geboren
als de sterren des hemels, ende als het zant dat aen den
oever der zee is, ’t welck ontallick is.
13
Dese alle zijn in het geloove gestorven,
de beloften niet verkregen hebbende, maer hebben deselve van verre gesien, ende gelooft, ende omhelst, ende hebben beleden
dat sy
gasten ende vreemdelingen op der aerden waren.
14 Want die
sulcke dingen seggen, betoonen klaerlick dat sy
een vaderlant soecken.
15 Ende indien sy dies [vaderlants ] gedacht hadden
van welck sy uytgegaen waren, sy souden tijt gehadt hebben om weder te keeren:
16 Maer nu zijn sy begeerigh na een beter, dat is, na het hemelsche. Daerom
en schaemt hem Godt harer niet,
om haren Godt
genaemt te worden: want hy hadde haer
een stadt bereydt.
17
Door het geloove heeft Abraham
als hy versocht wiert, Isaac
geoffert, ende hy, die de beloften ontfangen hadde, heeft
[sijnen ] eenighgeborenen ge-offert,
18 (
Tot den welcken geseght was,
In Isaac sal u het zaet genaemt worden)
overleggende dat Godt machtigh was [hem ] oock uyt de dooden te verwecken:
19 Waer uyt hy hem oock
by gelijckenisse weder gekregen heeft.
20
Door het geloove heeft Isaac [sijne sonen ]
Iacob ende Esau gezegent aengaende toekomende dingen.
21
Door het geloove heeft Iacob
stervende een yegelick der sonen Iosephs gezegent,
ende
heeft aengebeden [lenende ]
op het opperste van sijnen staf.
22
Door het geloove heeft Ioseph stervende
gemeldet van den uytgangh der kinderen Israëls, ende heeft bevel gegeven
van sijne gebeenten.
23
Door het geloove wiert Moses, doe hy geboren was drie maenden langh van sijne
ouders verborgen, overmits sy sagen dat het kindeken schoon was: ende
sy en vreesden het gebodt des Koninghs niet.
24 Door het geloove heeft Moses, nu
groot geworden zijnde, geweygert
een sone van Pharaos dochter genaemt te worden:
25
Verkiesende liever met het volck Godts qualick gehandelt te worden: dan voor eenen tijt
de genietinge der sonde te hebben.
26 Achtende de versmaetheyt
Christi meerderen rijckdom te zijn, dan de schatten in Egypten: want hy sagh
op de vergeldinge des loons.
27 Door het geloove heeft hy
Egypten verlaten, niet vreesende den toorn des Koninghs. Want
hy hieldt sich vast, als
siende
den onsienlicken.
28
Door het geloove heeft hy het Pascha uytgericht, ende
de besprenginge des bloets, op dat de verderver der eerstgeborene haer
niet raken en soude.
29
Door het geloove
zijn sy de roode zee doorgegaen, als door ’t drooge:
het welcke de Egyptenaers [oock ] versoeckende, zijn verdroncken.
30
Door
het geloove zijn de mueren van Iericho gevallen, als’se tot seven dagen toe
omringht waren geweest.
31
Door het geloove is Rachab
de hoere niet omgekomen met
de ongehoorsame,
als sy de verspieders
met vrede hadde ontfangen.
32 Ende wat sal ick noch [meer ] seggen? Want de tijt sal my ontbreken, soude ick verhalen
van Gedeon,
ende Barack, ende
Sampson, ende
Iephthe, ende
David, ende
Samuel, ende
de Propheten:
33 Welcke door het geloove
Koninckrijcken hebben overwonnen,
gerechtigheyt geoeffent,
de beloftenissen verkregen,
de muylen der leeuwen toegestopt:
34
De kracht des vyers hebben uytgebluscht,
de scherpte des sweerts zijn ontvloden,
uyt swackheyt krachten hebben gekregen,
in den krijgh sterck geworden zijn,
hebben heyrlegers der vreemde op de vlucht gebracht:
35
De vrouwen hebben hare dooden
uyt de opstandinge [weder ] gekregen:
ende andere zijn
uytgereckt geworden,
de [aengebodene ] verlossinge niet aennemende, op dat sy
een beter opstandinge verkrijgen souden.
36 Ende andere hebben
bespottingen ende geesselen geproeft, ende oock
banden ende gevangenisse:
37
Zijn
gesteenight geworden,
in stucken gezaeght,
versocht,
door het sweert ter doot gebracht:
hebben gewandelt
in
schaepsvellen, [ende ] in geytenvellen: verlaten, verdruckt, qualick gehandelt zijnde:
38 (Welcker de werelt
niet weerdigh en was) hebben in woestijnen gedoolt, ende [op ] bergen, ende [in ] speloncken ende [in ] de holen der aerde.
39 Ende
dese alle hebbende door het geloove getuygenisse gehadt,
en hebben de belofte niet verkregen:
40 Alsoo Godt
wat beters over ons voorsien hadde,
op dat sy
sonder ons niet en souden volmaeckt worden.
1 Om de Hebreen te beter tot stantvastigheyt in het geloove te bewegen, beschrijft hy haer het Geloove, met sijne eygenschappen ende werckingen. 4 ende brenght tot dien eynde voort de exempelen van het geloove der Oudt-vaderen des Ouden Testaments, ende voor eerst van Abel. 5 ende van Enoch. 7 ende van Noë. 8 daer nae van Abraham. 11 ende van Sara. 13 die met haer zaedt de beloften des lants Canaan wel hebben ontfanghen, maer de volbrenginge van die, niet op der aerden, maer in den hemel hebben verkregen. 17 Voorders verhaelt hy het exempel van het geloove Abrahams in het offeren van sijnen sone Isaac. 20 ende Isaacx in het segenen van sijnen sone Iacob. 21 ende Iacobs in het segenen vande sonen Iosephs. 22 ende Iosephs op sijn sterf-bedde. 23 Daer na vande Ouders Mosis. 24 ende van Mose selve in het verachten van sijne eere ende gemack in het hof van Pharao. 27 ende in het scheyden uyt Egypten, houden van het Pascha, ende doorgaen door de roode zee. 30 Daer na van Iosue ende van Rahab in’t in-nemen van Iericho. 32 mitsgaders van de Richters ende Coningen, die door het geloove groote dingen verricht hebben. 35 Daer nae van eenige vrouwen, die groote swarigheden daer door hebben uytgestaen. 36 gelijck oock verscheydene andere Propheten ende Martelaren. 39 Besluyt dat dese alle ghestorven zijn in ’t geloove, hoewel sy de beloofde sake sonder ons niet en hebben verkregen.
1 HEt gheloove nu is
een vaste grondt der dingen die men hoopt, [ende ]
een bewijs
der saken die men niet en siet.
2 Want door ’t selve hebben
de Oude
getuyggenisse becomen.
3 Door het geloove verstaen wy
dat
de werelt
door het woordt Godts is
toebereydt,
also dat de dingen die men siet,
niet geworden zijn uyt dingen die gesien worden.
4 Door het geloove
heeft Abel
een meerder offerande Gode ghe-offert dan Cain,
door welck hy
getuygenisse becomen heeft
dat hy rechtveerdigh was, alsoo Godt
over sijne gaven getuygenisse gaf: ende door het selve [geloove ]
spreeckt hy noch na dat hy gestorven is.
5 Door het geloove is
Enoch
wechgenomen geweest, op dat hy den doot niet en soude
sien: ende hy en wiert niet gevonden, daerom dat hem Godt wech genomen hadde: want voor sijne wech-neminge heeft hy getuygenisse ghehadt dat hy
Gode behaeghde.
6 Maer sonder geloove
is het onmogelick [Gode ] te behagen. Want
die tot Godt komt moet gelooven
dat hy is, ende
een belooner is der gene
die hem soecken.
7 Door het geloove heeft
Noë door Godtlicke aensprake vermaent zijnde van de dingen
die noch niet gesien en wierden, [ende ]
bevreest geworden zijnde, de Arcke toebereydt tot sijns huysgesins behoudenisse: door welcke [Arcke ] hy
de werelt heeft veroordeelt, ende is geworden
een erfgenaem der rechtveerdicheyt die na den geloove is.
8 Door het geloove is
Abraham
geroepen zijnde, gehoorsaem geweest om uyt te gaen
na de plaetse die hy tot een erfdeel ontfangen soude: ende hy is uytgegaen niet wetende waer hy komen soude.
9 Door het geloove is hy een inwoonder geweest in het landt der belofte, als in een vremt [lant ], ende heeft
in Tabernakelen gewoont met Isaac ende Iacob, die mede-erfgenamen waren
der selver belofte.
10 Want hy verwachtede
de Stadt
die fondamenten heeft, welcker
konstenaer ende bouw-meester Godt is.
11 Door het geloove heeft oock
Sara selve kracht ontfangen
om zaedt te geven , ende
boven den tijdt [hares ] ouderdoms heeft sy gebaert: overmits sy hem
getrouw heeft geacht die het belooft hadde.
12 Daerom zijn oock van eenen,
ende dat eenen verstorvenen, [so vele ] in menichte geboren
als de sterren des hemels, ende als het zandt dat aen den
oever der zee is, ’t welck ontallick is.
13
Dese alle zijn in het geloove gestorven,
de beloften niet verkregen hebbende, maer hebben de selve van verre gesien, ende gelooft, ende omhelst, ende hebben beleden
dat sy
gasten ende vremdelingen op der aerden waren.
14 Want die
sulcke dingen seggen, betoonen klaerlick dat sy
een vaderlandt soecken.
15 Ende indien sy dies [vaderlandts ] gedacht hadden
van welck sy uytgegaen waren, sy souden tijdt gehadt hebben om weder te keeren:
16 Maer nu zijn sy begeerich nae een beter, dat is, na het hemelsche. Daerom
en schaemt hem Godt harer niet,
om haren Godt
genaemt te worden: want hy hadde haer
een stadt bereydt.
17
Door het geloove heeft Abraham
als hy versocht wiert, Isaac
ge-offert, ende hy, die de beloften ontfangen hadde, heeft
[sijnen ] eenigh-geborenen ge-offert,
18 (
Tot den welcken geseght was,
In Isaac sal u het zaedt genaemt worden)
overleggende dat Godt machtich was [hem ] oock uyt de dooden te verwecken:
19 Waer uyt hy hem oock
by gelijckenisse weder-gekregen heeft.
20
Door het geloove heeft Isaac [sijne sonen ]
Iacob ende Esau gesegent aengaende toekomende dingen.
21
Door het gheloove heeft Iacob
stervende een yegelick der sonen Iosephs gesegent,
ende
heeft aengebeden [lenende ]
op het opperste van sijnen staf.
22
Door het geloove heeft Ioseph stervende
gemeldet van den uytganck der kinderen Israëls, ende heeft bevel gegeven
van sijne gebeenten.
23
Door het geloove wierdt Moses, doe hy geboren was dry maenden lanck van sijne
ouders verborgen, overmidts sy sagen dat het kindeken schoon was: ende
sy en vreesden het gebodt des Conincks niet.
24 Door het geloove heeft Moses, nu
groot geworden zijnde, geweygert
een sone van Pharaos dochter genaemt te worden:
25
Verkiesende liever met het volck Godts qualick gehandelt te worden: dan voor eenen tijdt
de genietinge der sonde te hebben.
26 Achtende de versmaetheyt
Christi meerderen rijckdom te zijn, dan de schatten in Egypten: want hy sach
op de vergeldinge des loons.
27 Door het geloove heeft hy
Egypten verlaten, niet vreesende den toorn des Conincks. Want
hy hielt sich vast, als
siende
den onsienlicken.
28
Door het geloove heeft hy het Pascha uytgericht, ende
de besprenginge des bloets, op dat de verderver der eerst-geborene haer
niet raken en soude.
29
Door het geloove
zijn sy de roode zee door-gegaen, als door het drooge: het welcke de Egyptenaers [oock ] versoeckende, zijn verdroncken.
30
Door
het geloove zijn de mueren van Iericho gevallen, als’se tot seven dagen toe
omringt waren geweest.
31
Door het geloove is Rachab
de hoere niet omgekomen met
de ongehoorsame,
als sy de verspieders
met vrede hadde ontfangen.
32 Ende wat sal ick noch [meer ] seggen? Want de tijdt sal my ontbreken, soude ick verhalen
van Gedeon,
ende Barack, ende
Sampson, ende
Iephthe, ende
David, ende
Samuel, ende
de Propheten:
33 Welcke door het geloove
Coninckrijcken hebben overwonnen,
gerechtigheyt geoeffent,
de beloftenisen verkregen,
de muylen der leeuwen toe-ghestopt:
34
De kracht des vyers hebben uytgebluscht,
de scherpte des sweerts zijn ontvloden,
uyt swackheydt krachten hebben gekregen,
in den krijgh sterck geworden zijn,
hebben heyr-legers der vremde op de vlucht gebracht:
35
De vrouwen hebben hare dooden
uyt de opstandinge [weder ] gekregen:
ende andere zijn
uytgereckt gheworden,
de [aengebodene ] verlossinge niet aen-nemende, op dat sy
een beter opstandinge verkrijgen souden.
36 Ende andere hebben
bespottingen ende geesselen geproeft, ende oock
banden ende gevangenisse:
37
Zijn
gesteenight geworden,
in stucken gezaeght,
versocht,
door het sweert ter doodt gebracht:
hebben gewandelt
in
schaeps-vellen, [ende ] in geyten-vellen: verlaten, verdruckt, qualick gehandelt zijnde:
38 (Welcker de werelt
niet weerdich en was) hebben in woestijnen gedoolt, ende [op ] bergen, ende [in ] speloncken ende [in ] de holen der aerde.
39 Ende
dese alle hebbende door het geloove getuygenisse gehadt,
en hebben de belofte niet verkregen:
40 Alsoo Godt
wat beters over ons voorsien hadde,
op dat sy
sonder ons niet en souden volmaeckt worden.


