1 Christus vergelijckt hemselven by eenen wijnstock, ende sijne discipelen by de rancken, die in hem blijvende, door hem vele vruchten voort brengen. 9 Betuyght van sijne bysondere liefde tegen haer, ende vermaentse tot onderhoudinge sijner geboden, ende onderlinge liefde. 13 welcke sijne liefde hy daer mede betoont, dat hy sijn leven voor haer stelt. 14 ende haer sijne vrienden ende uytverkorene noemt. 18 Troostse tegen den haet der werelt met sijn eygen exempel. 22 Toont dat door sijn woort ende wercken den Ioden alle voorwendinge van onschult benomen is. 26 ende dat den Heyligen Geest van hem sal getuygen, ende sy Apostelen mede.
1
ICk ben de ware wijnstock, ende mijn Vader is de
lantman.
2
Alle rancke die in my geen
vrucht en draeght, die
neemt hy wech: ende alle die vrucht draeght, die
reynight hy, op dat sy meer vrucht drage.
3
Ghylieden zijt nu
reyn, om het woort, dat ick tot u
gesproken hebbe.
4
Blijvet in my, ende
ick in u. Gelijckerwijs de rancke geen vrucht en kan dragen
van haer selven, soo sy niet in den wijnstock en blijft: alsoo oock ghy niet, soo ghy in my niet en blijvet.
5 Ick ben de wijnstock, [ende ] ghy de rancken: die in my blijft, ende ick in hem, die draeght veel vrucht: want
sonder my, en kondt ghy
niets doen.
6
Soo yemant in my niet en blijft,
die is
buyten geworpen gelijckerwijs
de rancke, ende
is verdorret: ende men
vergadert deselve, ende men werptse in het
vyer, ende sy worden verbrant.
7 Indien ghy in my blijvet, ende mijne woorden
in u blijven,
soo
wat ghy wilt, sult ghy
begeeren, ende het sal u geschieden.
8 Hier in is mijn Vader verheerlickt, dat ghy veel
vrucht draeght: ende ghy sult mijne discipelen
zijn.
9 Gelijckerwijs de Vader my lief gehadt heeft, hebbe ick oock u lief gehadt: blijft in dese
mijne liefde.
10
Indien ghy mijne geboden
bewaert, soo sult ghy in mijne liefde blijven: gelijckerwijs ick de geboden mijns Vaders bewaert hebbe, ende blijve in sijne liefde.
11 Dese dingen hebbe ick tot u gesproken, op dat
mijne blijdtschap in u
blijve, ende
uwe blijdtschap
vervult werde.
12
Dit is mijn
gebodt, dat ghy malkanderen lief hebt, gelijckerwijs ick u lief gehadt hebbe.
13
Niemant en heeft meerder liefde als dese, dat yemant
sijn leven
sette voor sijne vrienden.
14
Ghy zijt mijne vrienden, soo ghy doet wat ick u gebiede.
15 Ick en
heete u niet meer dienstknechten: want de dienstknecht
en weet niet wat sijn heere
doet: maer ick hebbe u vrienden genoemt,
want al wat ick van mijnen Vader
gehoort hebbe, [dat ] hebbe ick u bekent gemaeckt.
16
Ghy en hebt my niet
uytverkoren, maer ick hebbe u
uytverkoren, ende ick hebbe u
gestelt
dat ghy soudt
henen gaen ende vrucht dragen, ende [dat ] uwe vrucht blijve: op dat soo
wat ghy van den Vader begeeren sult in mijnen name, hy u [dat ] geve.
17 Dit gebiede ick u,
op dat ghy malkanderen lief hebt.
18
Indien u
de werelt haet, soo
weet dat sy my
eer dan u gehaet heeft.
19
Indien ghy
van de werelt waert, soo soude de werelt
het hare lief hebben: Doch om dat ghy
van de werelt niet en zijt, maer ick u uyt de werelt hebbe
uytverkoren, daerom haet u de werelt.
20 Gedenckt des woorts dat ick u
geseght hebbe,
Een dienstknecht en is niet meerder dan sijn heere.
Indien sy my vervolght hebben, sy sullen oock u vervolgen: indien sy mijn woort bewaert hebben, sy sullen oock het uwe bewaren.
21
Maer alle
dese dingen sullen sy doen
om mijns naems wille, om dat sy hem niet en kennen
die my gesonden heeft.
22
Indien ick niet gekomen en ware, ende tot haer gesproken en hadde, sy en hadden
geen sonde: maer nu en hebben sy
geen voorwendsel voor hare sonde.
23 Die my haet, die haet oock mijnen Vader.
24
Indien ick
de wercken onder haer niet en hadde gedaen, die
niemant anders gedaen en heeft, sy en hadden
geen sonde: maer nu hebben syse gesien, ende beyde my ende mijnen Vader gehaet.
25 Maer [dit geschiet ] op dat het woort vervult worde, dat in hare
wet geschreven is,
Sy hebben my
sonder oorsake gehaet.
26
Maer wanneer de Trooster sal gekomen zijn,
dien
ick u senden sal van den Vader, [namelick ] de Geest der waerheyt, die van den Vader
uytgaet, die sal van my
getuygen.
27
Ende ghy sult oock
getuygen, want ghy zijt van den
beginne met my geweest.
De ware wijnstok en de ranken
1 IK ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman.
2
Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage.
3
Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb.
4 Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in den wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft.
5 Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen.
6
Zo iemand in Mij niet blijft,
die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
7 Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven,
zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden.
8 Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn.
9 Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.
10
Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde.
11 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde.
12
Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb.
13
Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijn vrienden.
14
Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebiede.
15
Ik heet u niet meer dienstknechten; want de dienstknecht weet niet, wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd; want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt.
16
Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld,
dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.
17 Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.
De haat der wereld
18
Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft.
19
Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.
20 Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb:
Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer.
Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.
21
Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft.
22
Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde.
23 Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader.
24
Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.
25 Maar dit geschiedt , opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is:
Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.
26
Maar wanneer de Trooster zal gekomen zijn,
Dien Ik u zenden zal van den Vader, namelijk de Geest der waarheid, Die van den Vader uitgaat, Die zal van Mij getuigen.
27
En gij zult ook getuigen, want gij zijt van den beginne met Mij geweest.