1 De Apostel wijst aen de weerdigheyt der geloovige, datse nu kinderen Godts zijn, hoewel hare heerlickheyt in de toekomste Christi eerst ten vollen sal geopenbaert worden. 3 ende vermaent haer, datse haer selven reynigen. 5 tot welcken eynde Christus geopenbaert is. 7 Dat daer door de kinderen Godts, ende de kinderen des duyvels onderscheyden worden. 9 Om dat de kinderen Godts haer tot sondigen niet en begeven. 11 Hy vermaent haer oock malkandren lief te hebben. 12 ende het exempel Cains te vlieden. 14 Leert dat de liefde een recht ken-teecken is dat wy van de doot verlost zijn, ende dat de gene die sijnen naesten haet, een doot slager is voor Godt. 16 Stelt voor de liefde Christi tegen ons, ende vermaent ons die na te volgen, 17 niet met woorden alleen, maer met de daet ende waerheyt. 19 Leerende dat wy daer door meer ende meer versekert worden dat wy rechte Christenen zijn, 22 ende dat onse gebeden van Godt sullen verhoort worden. 23 Dat dit de somma is van Christi geboden, in hem te gelooven ende sijnen naesten lief te hebben. 24 het welck als wy doen soo hebben wy gemeenschap met hem ende worden daer van door sijnen Geest versekert.
1
SIet
hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, [namelick ] dat wy
kinderen Godts
genaemt souden worden. Daerom en
kent ons
de werelt niet, om dat sy
hem niet en kent.
2 Geliefde,
nu zijn wy kinderen Godts,
ende het en is
noch niet geopenbaert
wat wy zijn sullen.
Maer wy weten, dat als
[hy ] sal geopenbaert zijn, wy hem sullen
gelijck wesen: want wy sullen hem sien
gelijck hy is.
3 Ende een yegelick die
dese hope
op hem heeft, die
reynight hemselven, gelijck
hy reyn is.
4 Een yegelick die
de sonde doet, die
doet oock de ongerechtigheyt:
Want de sonde is
de ongerechtigheyt.
5
Ende ghy weet dat
hy
geopenbaert is, op dat hy onse sonden soude
wech nemen:
ende geen sonde en is in hem.
6 Een yegelick
die in hem blijft,
die en sondight niet: een yegelick die sondight, die en heeft hem niet
gesien, noch en heeft hem niet gekent.
7 Kinderkens, dat u niemant
en verleyde.
Die
de rechtveerdigheyt doet, die is
rechtveerdigh,
gelijck hy rechtveerdigh is.
8
Die de sonde doet, is
uyt den duyvel: want de duyvel
sondight van den be-ginne. Hier toe is de Sone Godts
geopenbaert, op dat hy
de wercken des duyvels
verbreken soude.
9
Een yegelick
die uyt Godt geboren is,
die en doet de sonde niet:
want
sijn zaet
blijft in hem: ende hy en kan
niet sondigen,
want hy is uyt Godt geboren.
10 Hier in zijn de kinderen Godts ende de kinderen des duyvels
openbaer. Een yegelick
die de rechtveerdigheyt niet en doet, die en is niet
uyt Godt, ende die sijnen broeder niet lief en heeft.
11 Want dit is
de verkondinge, die ghy van den beginne gehoort hebt,
dat wy malkanderen souden lief hebben.
12 Niet gelijck
Cain
[die ] uyt den boosen was, ende
sijnen broeder
dootsloegh. Ende om wat oorsake sloegh hy hem doot?
Om dat sijne wercken boos waren, ende sijns broeders, rechtveerdigh.
13
En verwondert u niet, mijne broeders, soo u
de werelt hatet.
14
Wy weten dat wy
overgegaen zijn
uyt de doot in het leven,
dewijle wy de broeders lief hebben. Die [sijnen ] broeder niet lief en heeft, blijft in de doot.
15 Een yegelick die sijnen broeder haet, is
een dootslager.
Ende ghy weet dat geen dootslager het eeuwige leven en heeft in hem
blijvende.
16
Hier aen hebben wy
de liefde
gekent, dat
hy
sijn leven voor ons gestelt heeft: ende wy zijn
schuldigh voor de broeders
het leven te stellen.
17
Soo wie nu
het goet der werelt heeft, ende siet sijnen broeder gebreck hebben, ende
sluyt
sijn herte toe
voor hem, hoe
blijft de liefde
Godts in hem?
18 Mijne kinderkens, en laet ons niet lief hebben
met den woorde, noch met de tonge, maer
met de daet ende
waerheyt.
19 Ende
hier aen kennen wy dat wy
uyt de waerheyt zijn, ende wy sullen
onse herten
versekeren
voor hem.
20 Want indien
ons’ herte [ons ]
veroordeelt,
Godt is
meerder dan ons’ herte, ende
hy kent alle dingen.
21 Geliefde, indien ons’ herte ons
niet en veroordeelt, soo hebben wy
vrymoedigheyt
tot Godt:
22
Ende
soo wat wy bidden, ontfangen wy van hem: dewijle wy sijne geboden bewaren, ende doen het gene behagelick is voor hem.
23
Ende dit is sijn gebodt,
dat wy gelooven
in den name sijns Soons Iesu Christi,
ende malkanderen lief hebben, gelijck hy ons een gebodt gegeven heeft.
24
Ende die sijne geboden bewaert,
blijft in hem, ende hy in den selven. Ende hier aen kennen wy dat hy in ons blijft, [namelick ]
uyt den Geest dien hy ons gegeven heeft.
1 De Apostel wijst aen de weerdigheyt der geloovige, datse nu kinderen Godts zijn, hoewel hare heerlickheyt in de toekomste Christi eerst ten vollen sal geopenbaert worden. 3 ende vermaent haer, datse haer selven reynigen. 5 tot welcken eynde Christus geopenbaert is. 7 Dat daer door de kinderen Godts, ende de kinderen des duyvels onderscheyden worden. 9 Om dat de kinderen Godts haer tot sondigen niet en begeven. 11 Hy vermaent haer oock malkandren lief te hebben. 12 ende het exempel Cains te vlieden. 14 Leert dat de liefde een recht ken-teecken is dat wy van de doot verlost zijn, ende dat de gene die sijnen naesten haet, een doot slager is voor Godt. 16 Stelt voor de liefde Christi tegen ons, ende vermaent ons die na te volgen, 17 niet met woorden alleen, maer met de daet ende waerheyt. 19 Leerende dat wy daer door meer ende meer versekert worden dat wy rechte Christenen zijn, 22 ende dat onse gebeden van Godt sullen verhoort worden. 23 Dat dit de somma is van Christi geboden, in hem te gelooven ende sijnen naesten lief te hebben. 24 het welck als wy doen soo hebben wy gemeenschap met hem ende worden daer van door sijnen Geest versekert.
1
SIet
hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, [namelick ] dat wy
kinderen Godts
genaemt souden worden. Daerom en
kent ons
de werelt niet, om dat sy
hem niet en kent.
2 Geliefde,
nu zijn wy kinderen Godts,
ende het en is
noch niet geopenbaert
wat wy zijn sullen.
Maer wy weten, dat als
[hy ] sal geopenbaert zijn, wy hem sullen
gelijck wesen: want wy sullen hem sien
gelijck hy is.
3 Ende een yegelick die
dese hope
op hem heeft, die
reynight hemselven, gelijck
hy reyn is.
4 Een yegelick die
de sonde doet, die
doet oock de ongerechtigheyt:
Want de sonde is
de ongerechtigheyt.
5
Ende ghy weet dat
hy
geopenbaert is, op dat hy onse sonden soude
wech nemen:
ende geen sonde en is in hem.
6 Een yegelick
die in hem blijft,
die en sondight niet: een yegelick die sondight, die en heeft hem niet
gesien, noch en heeft hem niet gekent.
7 Kinderkens, dat u niemant
en verleyde.
Die
de rechtveerdigheyt doet, die is
rechtveerdigh,
gelijck hy rechtveerdigh is.
8
Die de sonde doet, is
uyt den duyvel: want de duyvel
sondight van den be-ginne. Hier toe is de Sone Godts
geopenbaert, op dat hy
de wercken des duyvels
verbreken soude.
9
Een yegelick
die uyt Godt geboren is,
die en doet de sonde niet:
want
sijn zaet
blijft in hem: ende hy en kan
niet sondigen,
want hy is uyt Godt geboren.
10 Hier in zijn de kinderen Godts ende de kinderen des duyvels
openbaer. Een yegelick
die de rechtveerdigheyt niet en doet, die en is niet
uyt Godt, ende die sijnen broeder niet lief en heeft.
11 Want dit is
de verkondinge, die ghy van den beginne gehoort hebt,
dat wy malkanderen souden lief hebben.
12 Niet gelijck
Cain
[die ] uyt den boosen was, ende
sijnen broeder
dootsloegh. Ende om wat oorsake sloegh hy hem doot?
Om dat sijne wercken boos waren, ende sijns broeders, rechtveerdigh.
13
En verwondert u niet, mijne broeders, soo u
de werelt hatet.
14
Wy weten dat wy
overgegaen zijn
uyt de doot in het leven,
dewijle wy de broeders lief hebben. Die [sijnen ] broeder niet lief en heeft, blijft in de doot.
15 Een yegelick die sijnen broeder haet, is
een dootslager.
Ende ghy weet dat geen dootslager het eeuwige leven en heeft in hem
blijvende.
16
Hier aen hebben wy
de liefde
gekent, dat
hy
sijn leven voor ons gestelt heeft: ende wy zijn
schuldigh voor de broeders
het leven te stellen.
17
Soo wie nu
het goet der werelt heeft, ende siet sijnen broeder gebreck hebben, ende
sluyt
sijn herte toe
voor hem, hoe
blijft de liefde
Godts in hem?
18 Mijne kinderkens, en laet ons niet lief hebben
met den woorde, noch met de tonge, maer
met de daet ende
waerheyt.
19 Ende
hier aen kennen wy dat wy
uyt de waerheyt zijn, ende wy sullen
onse herten
versekeren
voor hem.
20 Want indien
ons’ herte [ons ]
veroordeelt,
Godt is
meerder dan ons’ herte, ende
hy kent alle dingen.
21 Geliefde, indien ons’ herte ons
niet en veroordeelt, soo hebben wy
vrymoedigheyt
tot Godt:
22
Ende
soo wat wy bidden, ontfangen wy van hem: dewijle wy sijne geboden bewaren, ende doen het gene behagelick is voor hem.
23
Ende dit is sijn gebodt,
dat wy gelooven
in den name sijns Soons Iesu Christi,
ende malkanderen lief hebben, gelijck hy ons een gebodt gegeven heeft.
24
Ende die sijne geboden bewaert,
blijft in hem, ende hy in den selven. Ende hier aen kennen wy dat hy in ons blijft, [namelick ]
uyt den Geest dien hy ons gegeven heeft.


