Elihu gaet voort om Godts gerechtigheyt te bewijsen , vers 1, et c. dit doet hy door het verhael van andere eygenschappen, ende wercken Godes, 5. item van het eynde der selver, 9. hy eygent dit verhael op de sake van Iob, 16. den welcken hy bestraft, ende dreyght met Godts toorn, 17. vermaent tot bekeeringe, 20. ende tot grootmakinge van Godts wercken, 24. welcker eenige hy voordraeght, 27.
1 ELihu gingh noch voort, ende seyde:
2 Verbeydt my een weynigh, ende ick sal u aenwijsen, datter noch
redenen voor Godt zijn.
3 Ick sal mijn gevoelen
van verren ophalen; ende mijnen
Schepper gerechtigheyt
toewijsen.
4 Want voorwaer mijne woorden en sullen geene valscheyt zijn:
een die oprecht is van gevoelen, is by u.
5
Siet,
Godt is geweldigh, nochtans
en versmaet hy niet: geweldigh is hy in kracht
des herten.
6 Hy en laet den godtloosen
niet leven: ende het recht der elendigen
beschickt hy.
7
Hy en onttreckt sijne oogen niet van den rechtveerdigen, maer met den Koningen
zijnse in den throon:
daer set hyse voor altoos, ende sy worden verheven.
8 Ende soose gebonden zijnde
in boeijen, vast gehouden worden met banden
der elende;
9 Dan geeft hy hen haer
werck
te kennen; ende hare overtredingen,
om datse de overhant genomen hebben.
10 Ende hy
openbaert’et [voor ] haerlieder oore ter tucht; ende
seyt, datse hen van de ongerechtigheyt bekeeren souden.
11 Indiense hooren, ende [hem ] dienen, soo sullen sy hare dagen eyndigen in’t
goede, ende hare jaren in
lieflickheden.
12 Maer soose niet en hooren,
soo gaen sy door het sweert door: ende sy geven den geest
sonder kennisse.
13 Ende
die met het herte huychelachtigh zijn,
leggen toorn op: sy en
roepen niet, als
hyse gebonden heeft.
14
Hare ziele sal in der jonckheyt sterven; ende haer leven onder de
schantjongers.
15
Hy sal den elendigen in sijn elende vry maken, ende in de onderdruckinge
sal hy’t [voor ] haerlieder oore openbaren.
16 Alsoo soude hy oock u afgekeert hebben van den
mont des anghstes, [tot ] de
ruymte, onder dewelcke
geene benauwinge soude geweest zijn: ende
het gerichte uwer tafel soude vol
vettigheyts geweest zijn.
17 Maer ghy hebt het
gerichte des godtloosen vervult: het gerichte, ende het recht
houden [u ] vast.
18 Om dat’er
grimmigheyt is; [wacht u ], dat hy u misschien niet met
eenen klop wech en stoote: soo dat u een groot rantsoen
daer niet en soude afbrengen.
19 Soude hy uwen rijckdom achten,
[dat ghy ] niet in benauwtheyt en soudt zijn; ofte eenige
versterckingen van kracht?
20
En haeckt niet na
dien nacht, [als ] de volckeren van hare plaetse
opgenomen worden.
21 Wacht u, en wendt u niet tot
ongerechtigheyt:
overmits ghyse in desen verkoren hebt, uyt oorsake van de
elende.
22 Siet, Godt
verhooght door sijne kracht: wie is een leeraer,
gelijck hy?
23
Wie heeft hem
gestelt over sijnen wegh? ofte wie heeft geseyt,
Ghy hebt onrecht gedaen?
24 Gedenckt, dat ghy sijn werck
groot maeckt, ’t welck de lieden
aenschouwen.
25
Alle menschen sien het aen: de mensche schouwt [het ]
van verre.
26 Siet, Godt is
groot, ende
wy en begrijpen’t niet:
daer en is oock geene
ondersoeckinge van ’t getal sijner jaren.
27
Want hy treckt de druppelen
der wateren op: die den regen
na sijnen damp uytgieten:
28
Welcken de wolcken uytgieten, [ende ] afdruypen over den mensche overvloedelick.
29 Kan men oock verstaen de
uytbreydingen der wolcken, [ende ] de krakingen
sijner hutte?
30 Siet,
hy breydt over
hem sijn
licht uyt; ende de
wortelen der zee bedeckt hy.
31
Want
daer door richt hy de volckeren: hy geeft spijse ten overvloede.
32 Met
handen bedeckt
hy het
licht: ende
doet aen het selve verbodt door
de gene, die tusschen door komt.
33
Daer van
verkondight
sijn geklater, [ende ]
het vee; oock
van den opgaenden [damp .]
Vierde deel van de toespraak van Elihu
1 Elihu ging verder en zei:
2 Wacht een ogenblik op mij, en ik zal je vertellen
dat er voor God nog meer woorden zijn.
3 Ik zal mijn gevoelen van ver halen,
en mijn Schepper gerechtigheid geven.
4 Want werkelijk, mijn woorden zijn geen leugen;
iemand die oprecht van gevoelen is, is hier bij je.
5
Zie, God is machtig, maar Hij veracht niets;
machtig is de kracht van Zijn hart.
6 Hij laat de goddeloze niet leven,
en Hij verschaft ellendigen recht.
7
Hij trekt Zijn ogen niet af van de rechtvaardige,
maar Hij plaatst hen voor altijd met koningen op de troon,
en zij worden verheven.
8 En als zij met ketenen gebonden zijn,
gevangen in banden van ellende,
9 dan maakt Hij hun werk aan hen bekend,
en hun overtredingen, omdat die de overhand genomen hebben.
10 Hij opent hun oor voor Zijn vermaning,
en zegt dat zij zich bekeren moeten van het onrecht.
11 Als zij luisteren en Hem dienen,
zullen zij hun dagen eindigen in het goede,
en hun jaren vol lieflijkheid.
12 Maar als zij niet luisteren, komen zij om
door een werpspies,
en geven zij de geest zonder kennis.
13 Mensen met een huichelachtig hart hopen toorn op;
zij roepen niet om hulp, als Hij hen gebonden heeft.
14
Hun ziel zal in hun jeugd sterven,
en hun leven onder de schandknapen eindigen .
15 God redt de ellendige in zijn ellende,
en in de onderdrukking opent Hij hun oor.
16 Zo heeft Hij ook jou weggelokt uit de mond van de benauwdheid
naar de ruimte waarin geen beklemming is,
en het gerecht van je tafel vol vet is.
17 Maar je bent vol van de rechtszaak van de goddeloze;
de rechtszaak en het recht houden je vast.
18 Pas ervoor op dat woede je niet aanzet tot spot,
zodat een groot losgeld de straf van jou niet zou kunnen afwenden.
19 Zou Hij je rijkdom waarderen, zodat je niet in benauwdheid komt,
of al je krachtsinspanningen?
20 Snak niet naar de nacht
waarin de volken weggaan van hun plaats.
21 Pas op, wend je niet tot onrecht,
omdat je die zou verkiezen boven de ellende.
22 Zie, God is hoogverheven door Zijn kracht;
wie is een Leraar als Hij?
23
Wie heeft Hem Zijn weg voorgeschreven?
Of wie heeft gezegd:
U hebt onrecht gedaan?
24 Denk eraan dat je Zijn werk groot maakt,
dat de mensen bezingen.
25 Alle mensen zien het;
de sterveling aanschouwt het van verre.
26 Zie, God is groot, en wij begrijpen Hem niet;
het getal van Zijn jaren is niet te doorgronden.
27 Want Hij trekt de waterdruppels omhoog,
die na Zijn damp regen uitgieten.
28 Zij laten de wolken stromen,
zij druipen overvloedig op de mensen neer.
29 Kan iemand ook begrijpen hoe de wolken zich uitbreiden,
en het dreunen uit Zijn hut?
30 Zie, Hij spreidt Zijn licht erover uit,
en Hij bedekt de diepten
van de zee.
31
Want daardoor spreekt Hij recht over de volken;
Hij geeft voedsel in overvloed.
32 Met Zijn handen bedekt Hij het licht,
en beveelt het zijn doel te treffen.
33 Zijn geroep kondigt Hem aan,
evenals het vee de komende storm.